Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Middelste Bonte Specht

Dendrocopos medius
Middelste Bonte Specht
Fotograaf: Geert Nijboer

Verspreiding

In zes van de elf atlasblokken waar deze specht is vastgesteld, gaat het om waarschijnlijke en zekere broedgevallen. Deze liggen allemaal ten zuiden van Roermond in Limburg. Twee blokken met mogelijke broedgevallen zijn langs de oostgrens in Twente en de Achterhoek gelegen. De verspreiding komt niet overeen met die van de voorkeurshabitat, aangezien ook elders in Nederland geschikte oude loofbossen beschikbaar zijn. De kans dat Middelste Bonte Spechten daar als broedvogel werden gemist, is gering. Ook in de bossen van Zuid-Limburg is deze habitatspecialist overigens een zeldzame verschijning. Slechts een kwart van de geschikte bossen hier is bezet, en de dichtheid in de bezette bosgebieden beliep in 1999 ongeveer 4 paren per 100 ha (Pahlplatz et al. 2000). Lage dichtheden zijn in Europa niet ongewoon (Hagemeijer & Blair 1997), al zijn in hardhoutooibossen dichtheden vastgesteld tot 30-50 paren per 100 ha (Flade 1994).

Bij de bezette bossen in Limburg gaat het vooral om grotere bosgebieden die relatief dicht bij omvangrijke populaties bij Jülich in Duitsland (Denz 1999) en in België (Schmitz 1993) liggen. Hemelsbreed gaat het in beide richtingen om afstanden van 20 km of minder. Het mogelijke broedgeval in Twente is evenmin ver verwijderd van een bekend broedgebied, bij Bentheim in Duitsland (Meijerink 1992), dat in 1999 – na jaren van afwezigheid – weer bewoond bleek te zijn. De Achterhoekse waarneming is vermoedelijk het verst verwijderd van een bestaande populatie over de grens. Al eerder is vast­gesteld dat deze specht vooral de grotere (groter dan 40 ha) bossen bewoont die niet te ver (meer dan negen km) verwijderd zijn van andere bewoonde bossen (Müller 1982). De geïsoleerde broedgevallen bij Zeist uit de 19e eeuw (van den Berg & Bosman 2001) behoren waarschijnlijk tot de uitzonderingen op deze regel.

Veranderingen

In de vorige atlasperiode was de soort hoogstens een incidentele broedvogel; in 1973-77 werd alleen een zeker broedgeval bij Enschede gemeld en een waarschijnlijk broedgeval aan de Veluwerand. Tot medio jaren negentig werden vervolgens geen duidelijke aanwijzingen meer verkregen voor broedgevallen (de Bruijn 1992, van den Berg & Bosman 2001). In de periode 1998-2000 is de verspreiding wezenlijk veranderd, althans in Zuid-Limburg. Hier is de soort nu een regelmatige broedvogel.

Het eerste territorium in Limburg werd vermoedelijk in 1995 gevestigd, maar zekerheid over een territorium stamt pas uit 1996 (Boswachterij Vaals). In de herfst van dat jaar was er een influx in Nederland (van den Berg & Bosman 2001), waarna in 1997 maar liefst elf territoria werden vastgesteld, waarvan drie in zowel het Munningsbos bij Sint-Odiliënberg als de Boswachterij Vaals. In twee gevallen werden nestholen opgespoord. Een lager aantal van zeven territoria in 1998 wordt toegeschreven aan verminderde aandacht voor de soort. In 1999, toen alle geschikte habitats zijn onderzocht, werden tien territoria vastgesteld waarbinnen drie nestvondsten werden gedaan (Pahlplatz et al. 2000). In 2000 (en 2001) zijn tenminste acht territoria vastgesteld. Al met al is er sprake van een plotselinge toename van het aantal waarnemingen van de soort. Vóór 1995 waren er in de 20e eeuw slechts 0-5 aanvaarde waarnemingen per decennium en werden negen zekere broedgevallen gepubliceerd (van den Berg & Bosman 2001).

Of er elders in Europa sprake is van een toename en zo ja sinds wanneer, is niet geheel duidelijk. Tot en met de jaren tachtig van de 20e eeuw spreken de meeste bronnen nog van een achteruitgang en areaalinkrimping als gevolg van het kappen van oude eikenbossen en omvorming van loofbossen in economisch aantrekkelijker naaldbossen en populierenplantages. Vanaf begin jaren negentig melden verschillende bronnen echter een toename (Schmitz 1993, Flade 1994, Veenstra 1995, Heckenroth & Laske 1997, Hinterkeuser 1998, König 1998). Mogelijk komt dit doordat veel bossen aan het eind van de 19e en in de eerste helft van de 20e eeuw zijn aangelegd en nu een stadium bereiken waarin ze geschikt zijn voor de Middelste Bonte Specht. De algehele tendens tot extensivering van het bosbeheer is eveneens gunstig, terwijl reeds langer geschikte gebieden door de bosontwikkeling ook gemakkelijker bereikbaar worden voor de soort. Voorts speelt waarschijnlijk mee dat het klimaat milder wordt. Passinelli (2001) toonde immers een verband aan tussen het nestsucces en de temperaturen in de nestfase.

Wanneer het beleid in Nederland ook in de toekomst gericht blijft op omvorming van productiebos naar natuurlijker bos en uitbreiding van het bosareaal, lijken de per­spectieven voor de Middelste Bonte Specht net zo rooskleurig als de soort zelf.

Aantallen

Jaarlijks komen vermoedelijk 5-10 paren tot broeden in Nederland. Inclusief territoriale maar ongepaarde vogels gaat het om 10-15 territoria.

Laatste waarnemingen

Foto's