Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Kruisbek

Loxia curvirostra

Water om te drinken en kruisbekken lijken een onafscheidelijk duo. Of het nu om een (aangelegde) drinkpoel gaat, een sloot, een plasje dooiwater, of restant regenwater in een holte van een boom, drinken zullen ze.

Het voorkomen in Nederland, zowel als broedvogel, doortrekker als wintergast fluctueert van jaar tot jaar. De meeste kans om ze te zien te krijgen (of soms alleen maar te horen) is tijdens of na invasiejaren. Dat klinkt logisch. Maar lang niet van alle soorten die tijdens een invasie de wintermaanden in Nederland doorbrengen blijven er vogels hangen om hier ook nog tot broeden te komen. Denk maar aan de pestvogel.

Kruisbek
Fotograaf: Jurgen Maassen

Verspreiding

 

Als broedvogel heeft de Kruisbek allerlei bijzonderheden die het inventariseren tot een lastige klus maken: grote variatie in aantallen (van bijkans nul tot algemeen), wisselvallig seizoens­optreden (in Nederland preferent nestelend in februari-april, soms tot in augustus), flexibele habitatkeus onder invloed van zaadaanbod van verschillende naaldboomsoorten, abrupte verdwijning bij uitputting voedselvoorraden (soms leidend tot massale desertie van broedsels), geclusterd èn verspreid broedend, lange voedselvluchten tussen nest en foerageerplaats mogelijk (tot meer dan 1 km) en ondoorzichtige menging van broed­paren en pleisterende – vaak druk zingende – doortrekkers. In de periode 1998-2000 was alleen 1998 een redelijk kruisbekkenjaar, volgend op een invasie in 1997. In 1999 beperkten broedende Kruisbekken zich tot grove dennenbossen, terwijl de soort in 2000 vrijwel ontbrak. Het maakt dus veel uit in welk jaar een blok voor de atlas is geïnventariseerd, tenzij waarnemers tijdens atlaswerk in 1999 en 2000 lege atlas­blokken hebben opgevuld met fictieve aantallen (‘moeten er in 1998 hebben gezeten’; deze vervuiling is bekend van de Noordwest-Veluwe en delen van Noord-Brabant). Kruisbekken hebben in Nederland een strak omlijnd broedgebied dat samenvalt met blokken op zandgrond waar grove den met meer dan 100 ha voorkomt (CBS 1985). Overigens zijn dit meestal blokken waar tevens redelijk veel fijn- en douglas­spar en lariks is aangeplant. Toch geeft de ruime verspreiding in Noord-Brabant, waar grove den in boswachterijen domineert, aan dat aanwezigheid van Pinus een bepalende factor is bij de vestiging als broedvogel. In vergelijking met de spar­bewonende Sijs, die in 1998-2000 bezuiden de Grote Rivieren zo goed als ontbrak, is het verschil frappant. Het zwaarte­punt van de verspreiding ligt op de Veluwe. Nergens anders in Nederland is het aandeel naaldbos per blok zo groot over zo’n uitgestrekt gebied. De naaldbossen in Drenthe, de Utrechtse Heuvelrug, Noord-Brabant en de noordelijke helft van Limburg kennen eveneens een goede bezetting in mastjaren. Hoewel de Sallandse bossen op de kaart zichtbaar zijn, is het voorkomen hier vermoedelijk onderschat. In de duinen beperken Kruisbekken zich tot naaldbosrijke delen van Noord-Holland. Bezuiden de Amsterdamse Waterleidingduinen komt alleen op Schouwen nog één blok met meer dan 200 ha dennenbos voor en is de rest van de kustgordel uitgesproken arm aan naaldbos. Op de Waddeneilanden wordt zelden gebroed; vestiging is er voorbehouden aan grotere naaldboscomplexen (vooral Pinus).

In kwantitatieve termen maakt de Veluwe zijn status als kruisbekgebied volledig waar, met naar schatting 40% van het landelijke aantal paren en zeven van de negen blokken met 26-100 paren. Daar kunnen de Drentse boswachterijen, de Utrechtse Heuvelrug en grote boscomplexen in Noord-Brabant en Limburg aan worden toegevoegd; blokken met 11-25 paren zijn hier in goede jaren niet uitzonderlijk. Omdat de kartering slechts drie jaar bestreek, met alleen 1998 als redelijk kruisbekjaar (Bijlsma et al. 2001), zijn tal van geschikte gebieden leeg of onderteld gebleven in vergelijking met een optimale bezetting door Kruisbekken. Dat is goed te zien in Zuidoost-Friesland, Oost-Drenthe (Hondsrug), Midden- en Zuid-Drenthe (boswachterijen), Salland, Achter­hoek (Bergherbos bij Zeddam wèl goed bezet), Het Gooi, en plaatselijk in Noord-Brabant en Limburg.

Veranderingen

Weinig bosvogels gaven de afgelopen decennia zo’n evolutie te zien als Kruisbekken: van incidentele broedvogel vóór de jaren zeventig naar reguliere broedvogel in sterk wisselende aantallen sindsdien (Bijlsma et al. 2001). Het aantal blokken met zekere of waarschijnlijke broedgevallen is toegenomen van 52 in 1973-77 naar 262 in 1998-2000 (+398%, indien zeer kleine blokken buiten beschouwing blijven). Tijdens top­jaren als 1991 of 1994 moet het aantal bezette blokken zeker hoger hebben gelegen. De winst heeft zich overal in het land voorgedaan waar op enige schaal naaldbos is aangeplant. De verdwijningen zijn niet reëel.

Net als bij de Sijs is deze toename geen specifiek Nederlands verschijnsel. Zo bedroeg de toename in Groot-Brittannië op blokniveau +201% tussen 1968-72 en 1988-91 (Gibbons et al. 1993) en in Denemarken +128% tussen 1971-74 en 1993-96 (Grell 1998). Hoewel deels beïnvloed door vergroting van het naaldbosareaal in West- en Midden-Europa in de 20e eeuw, zijn de veranderingen in de boreale bossen waarschijnlijk van veel grotere betekenis. Alleen al in Rusland werd in 1973-88 41 miljoen ha naaldbos toegevoegd aan het bestaande areaal. In dit verband is het opmerkelijk dat niet zozeer de frequentie van invasies in Europa is toegenomen, als wel de omvang ervan (Gatter 2000). De soms duizenden paren in Nederland betekenen voor ons weliswaar een substantiële verandering ten opzichte van de periode vóór 1970, binnen het reusachtige verspreidingsgebied van Kruisbekken is de toevoeging slechts een stofje op het tapijt. In reproductieve termen is Nederland zelfs een eersteklas put (Bijlsma et al. 1988, Bijlsma 1994c), iets wat ook in Schotland werd gevonden (Marquiss & Rae 1994). West-Europa is daarmee niets meer dan het marginale overloopgebied van de groeiende boreale populatie.

Aantallen

Vóór 1970 was de Kruisbek een incidentele broedvogel. Sindsdien werd de stand geschat op 25-400 paren in 1973-77, 400-1000 in 1979-83, 5380 in 1984, 5000-7500 in 1991 en 10.000-20.000 in 1994 (Bijlsma et al. 2001). De laatste drie schattingen betroffen jaren volgend op een grote invasie. Rekening houdend met de schattingen per blok, de talrijkheid in 1998-2000 (vrij veel 1998, weinig 1999, vrijwel afwezig 2000), en de karteringsinspanning per atlasjaar, bewoog de stand in 1998-2000 zich tussen minder dan 100 paren in 2000, enkele honderden in 1999 en 2500-3500 in 1998.

 

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's