Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Kolgans

Anser albifrons

Na hun vertrek uit Noord-Rusland en West-Siberië komen de eerste kolganzen in oktober in Nederland aan. Sommigen trekken iets verder, het merendeel blijft hier. Afhankelijk van het type winter herbergt Nederland iets minder of meer dan een half miljoen vogels. Dat is een derde van de gehele wereldpopulatie. En dat geeft Nederland een grote verantwoordelijkheid. Een probleem is dat veel kol- en andere ganzen gebruik maken van landbouwgronden, niet altijd tot genoegen van agrariërs natuurlijk. Daarom zijn er gebieden aangewezen waar ze niet ver- of bejaagd mogen worden. Het is aan de provincies om tijdens strenge winters met veel sneeuw een direct jachtverbod voor alle gebieden in te stellen, om verzwakking van de ganzen door de verminderde beschikbaarheid van voedsel te voorkomen.

Kolgans
Fotograaf: Michel Geven

Verspreiding

In 140 atlasblokken (8%) werden Kolganzen als broedvogel doorgege­ven. Een kwart hier­van betreft mogelijke broed­gevallen en eenderde heeft betrekking op waarschijnlijke broedgeval­len. Veelal ­zal het hierbij om overzomerende vogels gaan. Deze kunnen solitair, in paren of groepen optreden en voor mogelijke of waarschijnlijke broedvogels versleten zijn.

Zekere broedgevallen zijn vooral vastgesteld in Midden-Friesland, langs de Grote Rivieren exclusief de Maas, in het oostelijk Deltagebied en de Biesbosch. Plaatselijk gaat het hierbij aanzienlijke aantallen. Zo worden voor de omgeving van Akkrum (Fr), het IJsseldal ten oosten van Dieren en het Markiezaatsmeer ­11-25 broedparen per atlasblok opgegeven. In de rest van het land is de soort nog een overwegend schaarse verschijning, met in 82% van de bezette blokken slechts 1-3 paren.

Veranderingen

Ten tijde van de vorige atlas kwam de Kolgans nog niet als broedvogel voor. Het eerste broedgeval werd in 1980 op de Workumerwaard geconstateerd. Halverwege de jaren negentig was het aantal paren al tot rond 50 aangegroeid (­Lensink 1996b). De toename hangt samen met het feit dat de soort sinds 1988 niet meer als lokvogel mag worden gebruikt tijdens de jach­t. Veel jagers hebben daarom hun lokkers vrijgelaten. Een deel van deze vogels ging zich, meestal pas na enige jaren, als broedvogel vestigen in bekende jachtgebieden als Friesland, het rivierengebied en de Delta­.

Voor de toekomst is een verdere uitbreiding over Nederland aannemelijk, aangezien voedsel en nestgelegenheid in ons land in overvloed aanwezig is. Het grote aantal blokken met mogelijke en waarschijnlijke broedgevallen laat zien waar de eerstvolgende vestigingen te verwachten zijn. Elders in het gematigde deel van Europa is weinig bekend omtrent broedgevallen, maar het is niet onwaarschijnlijk dat her en der kleine aantallen broeden. Daar waar veel ge­jaagd wordt, zullen gewon­de vogels achterblijven; de moge­lijkheid dat deze vogels tot broeden overgaan is reëel.

Aantallen

Sinds de vestiging in 1980 zijn de aantallen broedparen in Nederland gestaag gegroeid. De schatting voor 1998-2000 komt uit op 200-250 paren. Dit aantal kan iets aan de hoge kant zijn, doordat overzomerende paren­ zijn meegeteld. Veel van de mogelijke en waarschijnlijke broedgevallen zullen echter betrekking hebben op potentiële broedparen. Dit zou kunnen betekenen dat een snelle verdere groei van de landelijke populatie te verwachten is.

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's