Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Glanskop

Poecile palustris

De glanskop is een lastige soort om te herkennen. Vaak wordt hij dan ook voor zijn dubbelganger de matkop uitgemaakt, en omgekeerd. Het eenvoudigste kenmerk in het veld is het geluid, maar dat zie je op een foto niet terug. Beeldkenmerken van de glanskop zijn onder andere de lichte snavelaanzet en de tweekleurige wang. Die zijn op deze foto ook goed te zien. Hoewel niet 100% betrouwbaar is de biotoop ook verschillend. De glanskop, een uitgesproken standvogel, vind je meer op de droge zandgronden met hardhoutbossen en de matkop juist meer in de moerasbossen van zachthout in bijvoorbeeld de uiterwaarden.

Glanskop in de sneeuw
Matkop of glanskop, zonder geluid wordt het lastig. Fotograaf: Kees van der Klauw

Verspreiding

 

Na waarschuwingen over verwarring met andere (mezen) soorten (Bult 1999) lijkt de verspreiding nauwkeurig in kaart te zijn gebracht. Met krap 500 (30%) bezette atlasblokken heeft de Glanskop het meest beperkte voorkomen van alle mezen. Het hoofdareaal op de hogere gronden van Midden- en Oost-Nederland sluit aan bij dat in Duitse bossen, maar de langgerekte keten in de Hollandse duinen tussen Schoorl en Monster ligt geïsoleerd. De veenkoloniën, laagveen en klei worden gemeden, wat het noordelijk voorkomen beperkt tot Zuidoost-Friesland, West- en Noord-Drenthe en Midden-Overijssel. De oostelijke zandgronden, het Rijk van Nijmegen, de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug, de oostelijke Maasoever en Zuid-Limburg zijn ruim bezet. Naast uitlopers in Oostelijk Flevoland (Roggebotzand, Harderbos) en het oostelijk rivierengebied komen geïsoleerde populaties voor in Gaasterland, de Noordoostpolder en de zandopduiking bij Clinge (oostelijk Zeeuws-Vlaanderen). Buiten enkele meldingen in het grensgebied van Limburg en Noord-Brabant werden ten westen van de Maas geen Glanskoppen opgespoord. Dit sluit aan bij hun absentie in de Belgische Kempen (Devillers et al. 1988). De kaart lijkt, net als in België, sprekend op de maximale verspreiding van beuken aan het begin van onze jaartelling (Weeda et al. 1985).

Vanwege de vroege zangpiek en de weinig opvallende roep drukt de ervaring van de waarnemer een stempel op het beeld. Daarmee rekening houdend blijken Glanskoppen vooral talrijk op hoge, betrekkelijk voedselrijke en niet te natte bodems waar oude wintereiken-beukenbossen gedijen, zoals de leemhoudende zomen van de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug, Het Gooi, Montferland en het Rijk van Nijmegen. Cultuurlandschappen die dergelijke bossen combineren met oude landgoederen staan eveneens garant voor aanzienlijke dichtheden, zoals in Salland, Twente en vooral de Achterhoek. De opvallende kern in de binnenduinen tussen Leiden en ’s-Gravenhage weerspiegelt een bolwerk van het schaarsere gierstgras-beukenbostype (Weeda et al. 1985). Op armere bodems (West-Drenthe, de centrale Veluwe, Zuid-Salland, Noord-Limburg) zijn (gemengde) eiken-berkenbossen minder bezet en wordt pure naaldhoutaanplant gemeden. De Zuid-Limburgse helling­bossen (eiken-haag­beuken) zijn optimaal (14-28 paren/100 ha), maar de tussenliggende plateaus nivelleren de relatieve dichtheid.

Veranderingen

De veranderingskaart toont enige expansie in Friesland, Oost-Groningen en Flevoland, en opvulling van hiaten langs de oostgrens. Verder lijkt een enorme afname te overheersen. Dat is deels schijn en verklaarbaar door verwarring met Matkop en andere soorten bij het vorige onderzoek, een fenomeen dat ook de eerste Engelse broedvogelatlas vertroebelde (Sharrock 1976). Zo is het vrijwel zeker dat de Brabantse Wal (Bult 1999), Rijnmond, Voorne en delen van Noord-Limburg toen niet bewoond werden (Bijlsma et al. 2001). Waarnemersartefacten kunnen ook een rol spelen bij de leegloop van open landschappen (Gelderse Vallei), laagveengebieden (Kop van Overijssel) en het rivierengebied; in het laatste geval kan de teloorgang van verbindingszones (hoogstamboomgaarden) hebben bijgedragen. In Midden-Drenthe speelt naast verwarring een reële afname. Ook in centraal Noord-Brabant is het zeker dat de kleine populaties op landgoederen rond ’s-Hertogenbosch en het boscomplex De Utrecht rond 1990 al wegkwijnden (Poelmans & van Diermen 1997) en nu onvindbaar bleven. Mogelijk waren dit natuurlijke relicten of naweeën van introductie­pogingen in de Nederlandse Kempen in 1948-49 (Paulussen 1993). In dit licht is de standvastigheid van het handjevol paren bij Clinge sinds 1972 (Vergeer & Zuylen 1994) opmerkelijk. Dat spontane verplaatsingen over grote afstand incidenteel mogelijk zijn, blijkt uit de terugmelding van een bij Tilff (Luik) geringd nestjong op 98 km afstand bij Mierlo (nb) op 6 november 1966 (Lippens & Wille 1972) en uit een tijdelijke vestiging in doorgeschoten grienden in de Biesbosch in 1986 (Meijer 1995).

De spectaculaire stijging van de broedvogelindex in de perio­de 1970-90 weerspiegelt de sterke toename in bijvoorbeeld West-Drenthe, Zuid-Kennemerland en Zuid-Limburg; deze wordt toegeschreven aan het ouder en structuurrijker worden van de bossen en het toenemende aandeel loofhout (van den Brink et al. 1996). Na 1991 stabiliseerde de index, al zijn er fluc­tua­ties in kerngebieden (Bijlsma et al. 2001) en tonen marginale regio’s (Midden-Drenthe, centraal Noord-Brabant) een afname. Streng winterweer laat geen sporen na in het populatieverloop, de beukennotenoogst (mast) doet dat wel. Na rijke mastjaren stijgt de winterstand en het volgende voorjaar loopt de broedvogelindex op, na daljaren krimpen winterpopulatie en broedbestand (van Turnhout & Verstrael 1999, Bijlsma et al. 2001). In Engeland kelderde de broedvogelindex met 66% door verminderde (winter)overleving, toegeschreven aan fragmentatie van bossen, het ijler worden van de struiklaag en het opruimen van dood hout (Baillie et al. 2001).

Aantallen

De schattingen per atlasblok, die bijna 11.000 paren opleveren, zullen te laag zijn bij deze moeilijk inventariseerbare soort. De Nederlandse broedpopulatie in 1998-2000 wordt geschat op 12.000-15.000 paren (1979-85: 13.000-20.000).

 

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's