Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis
De aanwezigheid van een bosruiter wordt meestal verraden door een hoog en snel ‘tjief-ief-ief’. In ons land zijn het echte doortrekkers, die je in het hele land met name in mei en in juli tot september in poelen of drassige stukken kunt tegenkomen.

20 cm. Lijkt op witgatje, maar is kleiner en slanker, sierlijker en bruin in plaats van zwart. Bovendelen donkerbruin met grote witte stippen. Kop, nek en borst bruin gestreept, duidelijke witte wenkbrauwstreep. Onderdelen wit. Staart fijner gebandeerd dan witgatje. Lijkt in vlucht ook op witgatje, met donkere bovendelen, geen vleugelstreep en witte stuit, maar is lichter gekleurd en heeft grijzige of wittige ondervleugels in plaats van zwarte. Poten wat langer dan witgatje, geel of geelgroen, snavel matig lang en donker met gelige basis. In winterkleed bovendelen overwegend grijsbruin met kleinere witte vlekken. Juveniel in nazomer lijkt sterk op adult, maar is regelmatiger getekend en heeft kleinere en gele vlekken op bovendelen. Meestal alleen of in kleine troepjes op modderige of moerassige plekjes. Minder schuw dan witgatje, maar snel opgewonden en luidruchtig.
Broedt in Noord-Europa, Oekraïne, Wit-Rusland en Rusland. Noordwestelijke populaties overwinteren met name in Afrika ten zuiden van de Sahara, maar ook in Noord-Afrika langs de Middellandse Zee. In Nederland doortrekker in voor- en najaar, in kleine aantallen. Tot 1936 in Nederland ook broedvogel in hoogveengebieden.
In broedseizoen in goed begroeide moerassen en bij beekjes, meestal nabij bomen, waarin hij dan vaak zit. Buiten broedseizoen in allerlei zoetwaterbiotopen, vaak op smalle modderige randjes. Nooit bij zout water.
Voedsel
Voornamelijk ongewervelden, in broedseizoen vooral insecten. Eet ook af en toen kleine gewervelden.
Eieren
Aantal eieren in legsel meestal 4, zelden 3. Peervormig tot ovaal. Glad en enigszins glanzend. Licht tot zeer licht groenachtig of olijfkleurig, of zelden licht olijfkleurig-geelbruin. Zwartachtig-bruin of donker violet-bruin en lichter violet-grijs gevlekt, gespikkeld en met grove krabbels. Regelmatig met tamelijk veel kleine spikkels en schaarsere kleine vlekken of krabbels geconcentreerd aan de stompe pool. Vlekken vaak verlengd. Formaat 38,3 x 26,4 mm.
Roep ’tjief ief ief’, hoger en schriller dan roep van witgatje. Zang bellend herhaald ‘whirrrru’.


Een bosruiter is een kleine elegante steltloper die tot bijna een eeuw geleden nog een Nederlandse broedvogel was. We zien deze steltloper nu alleen maar tijdens de trek in het voor- en najaar. De bosruiter, die een voorkeur heeft voor natte gebieden, is alleen in het binnenland te zien. Op de Wadden en in de zoute Delta is hij, in tegenstelling tot veel andere steltlopers, afwezig. De bosruiter is met name in natte vegetatie te vinden en wat minder in open gebieden zoals slikken en drooggevallen plassen. De vogel is een doortrekker die in mei in ons land is als hij vanuit het zuiden op weg in naar het noorden om te broeden. Bosruiters broeden in Scandinavië en Rusland. Vanaf juli zijn de eerste bosruiters weer in ons land als ze op weg zijn naar de overwintergebieden in Afrika.

De bosruiter is een sierlijke steltloper met overwegend grof getekende donkerbruine bovendelen met veel witte stippen (1). De buik is licht gekleurd met licht gebandeerde flanken (2). De lange poten (3) zijn dofgeel tot geelgroen gekleurd. Vanaf de kop tot en met de hals (4) is het verenkleed gestreept. Wat verder opvalt is de lange witte wenkbrauwstreep (5). De fijne snavel (6) heeft een gemiddelde lengte en is aan de basis licht- tot geelgekleurd.

Een juveniele bosruiter heeft ten opzichte van een adulte bosruiter een typisch uniform vers kleed. Vooral de mantel- en schouderveren zijn veel fijner gekarteld dan de veren van een adulte bosruiter. Als de juveniele vogels in het najaar op trek in Nederland te zien zijn, valt dit verse en ongesleten kleed op. De jonge vogel ziet er dan ook anders uit dan het sterk gesleten zomerkleed van adulte vogels

De bosruiter is met name in natte gebieden met voldoende beschut en ondiep water te vinden. Zijn voorkeur gaat uit naar natte vegetatie. Daar foerageert hij graag op insecten, maar ook op slakjes, kleine visjes en zelfs kleine kikkertjes. Bosruiters zijn nooit in grote groepen te zien, zoals bijvoorbeeld wel grutto’s en kemphanen die soms met honderden bij elkaar rusten en samen foerageren.

De kleine geelpootruiter is in tegenstelling tot wat zijn naam doet vermoeden een flink stukje groter dan een bosruiter. Het meest opvallende verschil met de bosruiter is de koptekening die bij de kleine geelpootruiter veel minder sterk getekend is. Met name de wenkbrauwstreep en teugelstreep ontbreken bij de kleine geelpootruiter. De poten zijn ten opzichte van de bosruiter opvallend geel en waarschijnlijk heeft hij daar zijn naam dan ook aan te danken. De kleine geelpootruiter is in Nederland een dwaalgast uit Noord-Amerika en wordt niet vaak gezien.

Een witgat is ongeveer even groot als een bosruiter en lijkt iets minder op een bosruiter dan bijvoorbeeld een kleine geelpootruiter. De poten van een witgat zijn niet zo lang en meer geelgroen gekleurd. Ook mist een witgat de nadrukkelijke lichte oogstreep. Een witgat is in Nederland een algemeen voorkomende vogel die niet hier maar wel in Duitsland broedt. Een witgat is veel contrastrijker dan een bosruiter en vooral de buik, stuit en staartbasis zijn opvallend wit gekleurd ten opzichte van de donkere bovenzijde.