Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Bonte Strandloper

Calidris alpina

In Nederland komen Bonte Strandlopers zeer talrijk voor als doortrekkers en overwinteraars. De soort is dan vooral aan te treffen in de kustgebieden en in véél kleinere aantallen ook in slikgebieden in het binnenland. Aan de kust zijn ze te zien in groepen tot 1000-en exemplaren. Als broedvogel is de Bonte Strandloper zeer zeldzaam.

Bonte Strandloper
Fotograaf: Annie Keizer

Verspreiding

 

Serieuze aanwijzingen voor broeden waren er alleen op Griend (1998), de Boschplaat op Terschelling (1999) en de Dollard-kwelder (1998 en 2000). In deze gevallen ging het om zingende en later alarmerende vogels in geschikte broedhabitat. Er werden geen nesten gevonden en evenmin pulli gezien. De Dollard, vanaf 1947 af en toe genoemd als broedplaats (Boekema et al. 1983), is het enige gebied in de tweede helft van de jaren negentig waar bijna jaarlijks broedverdachte Bonte Strandlopers worden gemeld. Aan de Duitse zijde van de Eemsmonding is dit eveneens het geval (B.J. Koks pers. med.).

Veranderingen

Als broedvogel was de Bonte Strandloper vermoedelijk al in de 19e eeuw zeldzaam in Nederland. In de 20e eeuw nam het aantal broedgevallen af. Van de ongeveer 35 nestvondsten die bekend zijn, dateren er 26 van vóór 1960. Ondanks een daarna sterk uitgebreid waarnemercorps stamt de laatste gepubliceerde nestvondst uit 1986 (van Dijk & Beemster 1988).

De soort broedde aanvankelijk vooral in Friesland, zowel op binnendijkse blauwgraslanden als buitendijkse gronden langs het IJsselmeer. Deze gebieden werden al in een vroeg stadium ongeschikt door bemesting respectievelijk vegetatiesuccessie na verzoeting door de aanleg van de Afsluitdijk. De broedgevallen vanaf de jaren vijftig stammen vrijwel allemaal van kwelders of recent drooggelegde gronden (Lauwersmeer) in het Waddengebied, op enkele meldingen in het Deltagebied na. De broedgevallen in de Nederlandse Waddenzee sluiten aan bij die in het Duits-Deense deel van dit gebied, waar zich kleine aantallen proberen te handhaven (50 paren in 1991, 39 in 1996; Rasmussen et al. 2000).

Aantallen

Wellicht kwamen in de atlasperiode jaarlijks 1-3 paren tot broeden.

 

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's