Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis
Download GRATIS het ebook '14 tips om meer te genieten van vogels' en ontvang onze 2 wekelijkse nieuwsbrief met de meest recente artikelen op vogelskijken.nl
Deze luidruchtige steltloper broedt in bijna heel ons land. In het wadden- en deltagebied komen ze in grotere aantallen voor. De scholekster broedt op de grond, maar kiest soms ook voor het broeden op platte daken. De aantallen nemen sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw af.


Scholeksters broeden soms op de platte daken van bedrijven. Ze maken niet echt een nest maar leggen de vier eieren in een kuiltje van de kiezelstenen op het platte dak. In het agrarische gebied broeden scholeksters bij voorkeur op bouwland zoals een maisakker van afgelopen jaar. De jongen worden door de ouders de eerste paar weken nog gevoerd en daarmee zijn jonge scholeksters vrijwel de enige nestvlieders die na het uitkomen uit het ei door de ouders gevoerd worden. Alle andere nestvlieders kunnen direct na uitkomst voor zichzelf zorgen. Het vrouwtje is iets groter dan het mannetje en daarmee is de snavel van het vrouwtje ook wat langer.

Scholeksters zijn opvallende en ook luidruchtige weidevogels. Vooral rond de broedtijd kunnen ze samen luid roepend rondvliegen. Je kunt scholeksters zelfs ook ’s nachts horen roepen. Scholeksters zijn erg waaks en alarmeren om het minste of geringste. De gitzwarte kop, borst, bovendekveren en vleugels contrasteren sterk met de spierwitte borst en buik. Verder valt de knalrode lange en rechte snavel op. Met deze zware snavel kan de vogel diep in de bodem naar voedsel zoeken en kan daarmee aan de kust ook vrij gemakkelijk schelpen openbreken. De poten zijn roze gekleurd en van een normale lengte. Beide geslachten hebben ook een rode oogring.

Vanaf het vroege voorjaar zijn de bovendelen van de scholekster diepzwart en zijn de snavel en de oogring rood gekleurd, de poten zijn roodroze van kleur. De iris van een jonge scholekster is in het begin nog donker gekleurd met een geelachtige oogring en gedurende een aantal jaren kleurt de oogring steeds roder. Zo rond het vierde levensjaar is de oogring van de adulte scholekster helderrood. De rui van het zomerkleed naar het winterkleed begint al in de zomer en duurt tot in het najaar.

Het winterkleed van een scholekster lijkt sterk op het zomerkleed echter de witte keelband laat zien dat het een winterkleed betreft. Na de winter verdwijnt die keelband weer en kleurt de keel diepzwart. Zowel adulte als juveniele scholeksters hebben in de winter een witte keelband. De kleur van de oogring kan dan duidelijkheid verschaffen over de leeftijd, des te roder de oogring des te ouder de scholekster is.

Een juveniele scholekster of eerste kalenderjaar vogel heeft een kortere snavel dan een adulte vogel. Het bovendek is nog niet geheel diepzwart gekleurd maar neigt meer naar bruinzwart. De vogel moet dan nog ruien naar het volwassen diepzwarte verenkleed. De iris is donker gekleurd in plaats van helder rood en ook oogring is eerder geel gekleurd dan rood en is daarmee nog niet op kleur. De poten zijn nog bleek en kleuren pas later naar rood en nog weer later naar het roodroze kleed van een adulte scholekster.

Tijdens de broedtijd zijn de scholeksters vooral samen in tweetallen en niet in groepen te zien. Ze vliegen dan vaak samen luid roepend rond. Pas in de winter zoeken scholekster elkaar op en zijn ze in grote groepen samen aan de kust te zien. Scholeksters maken geen echte nesten maar draaien een kuiltje in de grond meestal op bouwland zoals een maisakker van afgelopen jaar en op daken maken ze een kuiltje in de kiezel dakbedekking. Net als alle nestvlieders worden vier lichtgekleurde eieren gelegd. In de winter verzamelen de scholeksters zich aan de kust waar ze in enorme groepen bij elkaar op de dijken kunnen rusten.


Het uiterlijk van de kievit komt niet echt overeen met dat van de scholekster. Kieviten hebben wel het sterk contrasterende verenkleed met een donker bovendek, kop en hals en het witte verenkleed van de borst en buik. Ze missen de rode snavel en roodroze poten en hebben een kuif. Maar je komt ze wel in elkaars leefomgeving tegen en ook kieviten broeden graag op bouwland. Door het verschil in lengte van de snavels zijn het geen voedselconcurrenten van elkaar. In de winter zoeken kieviten elkaar ook op en kunnen de winter in grote groepen samen doorbrengen. Kieviten zijn in de winter wel in het binnenland te zien en bewegen dan met de vorstgrens mee.
Geef een reactie