Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Zwarte Mees

Periparus ater
Zwarte Mees
Fotograaf: Jurgen Maassen

Verspreiding

De Zwarte Mees is vastgesteld in 42% van de atlasblokken. Het broedareaal valt samen met het voorkomen van naaldbossen op zandgronden, met name in Oost- en Zuid-Neder­land inclusief de Utrechtse Heuvelrug en Het Gooi. De verspreiding lijkt sterk op die van de Kuifmees, maar door zijn grotere mobiliteit is de Zwarte Mees minder afhankelijk van nabije aaneengesloten naaldbossen met reservoirpopulaties. Zo zijn alle grote Waddeneilanden bezet, met uitzondering van Schiermonnikoog. Daarnaast komen min of meer geïso­leerde populaties voor in Oost-Groningen (Westerwolde), Gaasterland, Flevoland (vooral Noordoostpolder), de Wieringermeer (Robbenoordbos), het Amsterdamse Bos en de Betuwe. In de Hollandse duinen komen kernen voor van Schoorl tot en met de Amsterdamse Waterleidingduinen en rond Meijendel. Het voorkomen in de Delta is beperkt tot de duinen van Voorne en Westenschouwen en de zand­opduiking bij Clinge in oostelijk Zeeuws-Vlaanderen. De relatieve dichtheidskaart laat zien dat Zwarte Mezen in delen van de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug zeer talrijk zijn. Begrijpelijk, aangezien dennen vooral op de hogere, voedselarme dekzanden zijn aangeplant. In oude (ouder dan 60 jaar) grove dennenbestanden komen 30-45 paren per 100 ha voor. Op lagere en voedselrijkere zanden, waar meer gemengd bos is aangeplant, liggen de dichtheden lager. Op de zuidelijke zandgronden liggen zwaartepunten in de noordelijke Peel, alsook in de Kempen en op de Brabantse Wal, in aansluiting op naaldbossen in Vlaanderen. In Limburg is de soort wat minder talrijk, afgezien van de Meinweg, dat aansluit op een omvangrijk Duits bosgebied. Ook op de oostelijke en noordelijke zandgronden is de Zwarte Mees, buiten de Sallandse Heuvelrug, de Hondsrug en West-Drenthe, vrijwel nergens talrijk. Daarmee is ook de relatieve verspreiding bijna het evenbeeld van die van de Kuifmees, al zijn er subtiele verschillen. Zo zijn Zwarte Mezen meer gebonden aan sparren, wat waarschijnlijk verklaart waarom ze op de Hondsrug (tot 70 paren/100 ha) talrijker zijn dan Kuifmezen (van den Brink et al. 1996). Een tweede verschil is dat de Zwarte Mees vrijwel alleen in middeloud en oud naaldbos voorkomt. Jongere opstanden, die wel door Kuifmezen worden bewoond, hebben voor de Zwarte Mees onvoldoende draagkracht. Daardoor zijn zelfs grote boscomplexen meestal niet volledig bezet. Op de kaart wordt dit weerspiegeld doordat de verspreidingszwaartepunten een in vergelijking met de Kuifmees geringere omvang hebben, onder meer op de Utrechtse Heuvelrug en de Brabantse Wal.

Veranderingen

Het netto effect van nieuwe vestigingen en verlaten atlasblokken is een zeer lichte toename (nl. +1%) van het areaal ten opzichte van 1973-77. Regio’s met overwegend afname zijn Midden- en Zuid-Drenthe, Midden-Overijssel, oostelijk Noord-Brabant, Midden- en Zuid-Limburg. In de duinen zijn de veranderingen variabel: contractie rond de boswachterij Schoorl, expansies in het Noordhollands Duinreservaat, de Amsterdamse Waterleidingduinen, Meijendel en Voorne. Ook op de Waddeneilanden wisselt het beeld: Schiermonnikoog werd verlaten, het areaal kromp in op Terschelling, maar expandeerde op Ameland. Anders dan bij de Kuifmees is het beeld in Flevoland louter positief: toename in de ouder wordende bossen van de Noordoostpolder en Oostelijk Flevoland. Veel van de veranderingen betreffen overigens marginale broedgebieden. De landelijke bmp-trend toont over de periode 1970-99 geen duidelijke toe- of afname. Dat is opmerkelijk omdat een stijging mocht worden verwacht, gezien de toenemende ouderdom van de Nederlandse bossen. Er zijn meer signalen dat het de Zwarte Mees niet voor de wind gaat. In Midden-Limburg (25.000 ha) werd tussen 1990-92 en 1998-2000 een afname van bijna 30% geconstateerd. Niet alleen nam de dichtheid in grote bossen af, ook de verspreiding werd ijler doordat geïsoleerde naaldbosjes werden verlaten (Koopmans & Ongenae 1999, Koopmans et al. 2000). Voorts toont de landelijke ptt-index over de periode 1980-98 een afname van de winter­aantallen (Bijlsma et al. 2001). Mogelijke verklaringen voor de afname zijn een verminderde zaadproductie in naaldbossen of ineenstorting van populaties geleedpotigen (spinnen), waardoor voedseltekort optreedt tijdens de nestfase. Voorts is de omvorming van productiebos (veelal naaldhout) in natuurlijker bos (loofhout) ten nadele van deze mees. Zwarte Mezen kunnen koudeperioden behoorlijk goed overleven. Er is dan ook vrijwel geen invloed van streng winterweer te zien in de bmp-trend, iets wat ook in Engeland bleek (Marchant et al. 1990). Enige afname na 1972-73 hangt mo­gelijk samen met het grote areaal sparren dat in Noord-Nederland door zware stormen werd geveld (van den Brink et al. 1996). Invasies leiden vermoedelijk tot een tijdelijke opbloei. Zo werd de invasie in het najaar van 1989, een van de grootste uit de 20e eeuw (Bijlsma et al. 2001), gevolgd door een stijging van de bmp-index in 1990 met 20%.

Aantallen

Net als bij de Kuifmees komt het berekende getal (bijna 22.000 paren) te laag uit doordat naaldbos matig in de steekproef vertegenwoordigd is. Vermoedelijk gaat het om 30.000-40.000 paren of nog meer, gezien eerdere en hogere schattingen (60.000-85.000 paren in 1979-85).

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's