Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Wespendief

Pernis apivorus

Met zijn wat duifachtige kop en kleine snaveltje ziet de wespendief er misschien niet zo gevaarlijk uit als sommige andere roofvogels, toch kunnen zij ware slachtingen aanrichten onder hele volken. Dat betreft dan wel de bewoners van wespen- en bijennesten want die vormen het belangrijkste voedsel van dit buitenbeentje onder de roofvogels. Met name de larven en poppen worden graag gegeten en de Wespendief besteedt heel wat tijd aan het uitgraven van wespennesten om deze lekkernij te bemachtigen. Soms graven zij daarbij zo diep dat de hele vogel onder de grond verdwijnt.

Wespendief in topje van boom
Fotograaf: Daniele Occhiato

Verspreiding

Broedende Wespendieven zijn niet eenvoudig in kaart te brengen. De nesten zijn moeilijk op te sporen, omdat het broeden pas begint wanneer het blad al aan de bomen zit; bovendien zijn de vogels bij het nest bijzonder heimelijk en laten ze weinig sporen na. Ongeveer de helft van de aanwezige paren gaat niet tot broeden over, en een deel daarvan bouwt waarschijnlijk geen nest (van Manen 2000a). Ouders met jongen in het nest kunnen tot meer dan vijf km van het nest foerageren en overal boven het foerageergebied vlinderen (baltsen). Ook de territoriale niet-broedende vogels hebben een grote actieradius (Bijlsma 1993). Van de ene kant wordt de soort dus gemakkelijk over het hoofd gezien, maar van de andere kant kunnen territoria worden opgevoerd tot ver buiten het atlasblok waarin wordt gebroed. Om het aantal broedparen nauwkeurig te bepalen, is een arbeidsintensieve en soortgerichte aanpak nodig, met veel velduren in juli en augustus. Dergelijk specialistenwerk werd voor deze atlas slechts in enkele regio’s uitgevoerd.

De verspreidingskaart toont de sterke binding met bos. Alleen langs de kust, in Flevoland en in Noord-Brabant zijn minder atlasblokken bezet dan verwacht op grond van het beschikbare bosoppervlak. Omdat nestgelegenheid hier geen beperkende factor kan zijn, zal de ijle verspreiding of het ontbreken een gevolg zijn van onvoldoende (bereikbaar) voedsel. In vrijwel alle atlasblokken waarin Wespendieven zijn aangetroffen, werd het aantal geschat op 1-3 territoria, in slechts 30 op 4-10. Deze verdeling suggereert, analoog aan de gevonden dicht­heden bij soortgerichte studies, dat meer dan vier territoria per atlasblok een zeldzaamheid is. Het aantal per atlasblok is vooral afhankelijk van de oppervlakte bos, waarbij meer bos gewoonlijk meer Wespendieven oplevert. Of het loof- dan wel naaldbos betreft, lijkt in de Nederlandse situatie van ondergeschikt belang. In Europa zijn de verreweg hoogste dichtheden aangetroffen in vochtige loof- en gemengde bossen (Kostrzewa 1985, Gamauf & Herb 1990, van Manen & Janicka 1999). Dit type bos kwam oorspronkelijk vooral voor op de rijkere gronden in Nederland, die het eerst werden ontbost, terwijl vrijwel alle resterende of later aangeplante bossen voorkomen op de armste gronden. Mogelijk is de huidige verspreiding van de Wespendief dus min of meer complementair aan de historische.

Veranderingen

Het vergelijken van de twee atlasperiodes is bij de Wespendief riskant. Beide inventarisaties zijn niet al te nauwkeurig en bij het vaststellen van zowel aanwezigheid als broedzekerheid spelen toeval en waarneeminspanning mee.

In 1998-2000 werden in een aantal blokken geen Wespendieven vastgesteld waar dat in 1973-77 wel het geval was, maar desondanks zijn er veel meer bezette blokken bij gekomen. Hoewel dit in sommige gebieden een gevolg zal zijn van meer aandacht voor de soort, betekent dit een voortzetting van de toename die begonnen moet zijn nadat Haverschmidt (1942) de Wespendief nog karakteriseerde als “zeer zeldzame broedvogel in loof- en gemengd hout”. Deze aantalsvermeerdering heeft zonder twijfel te maken met de toename van het bosareaal in Nederland gedurende de 20e eeuw. De veranderingskaart suggereert dat de toename sinds 1973-77 vooral plaatsvond buiten de Veluwe. Dit wordt bevestigd door tellingen op de Veluwe die gedurende de jaren zeventig en tachtig een stabiele populatie aantoonden, terwijl in dezelfde periode het aantal Wespendieven in bijvoorbeeld Zuidwest-Drenthe geleidelijk toenam tot eind jaren tachtig, waarna het hier stabiliseerde (Bijlsma 1993). Speciaal op Wespendieven gerichte studies (in Drenthe) tonen in de jaren negentig een aantalsafname, in Boswachterij Smilde en Berkenheuvel van 8 territoria in 1991 naar 6 in 2001 (R.G. Bijlsma pers. med.) en in noordelijk Midden-Drenthe van 12 in 1992 naar 9 in 2001 (W. van Manen ongepubl.). De aantalsafname houdt waarschijnlijk verband met de sinds eind jaren tachtig toegenomen predatie van volwassen vogels en jongen door de Havik. Mogelijk speelt daarnaast de verdwijning en aftakeling van tropisch regenwoud, een belangrijke overwinteringshabitat, een rol (Bijlsma 2002b).

Elders in Europa blijkt het aantal Wespendieven bij systematisch onderzoek, zoals in Zweden en Finland, aan het eind van de 20e eeuw veelal af te nemen (Hagemeijer & Blair 1997).

Aantallen

De schattingen per atlasblok suggereren een broedpopulatie van omstreeks 700 paren, wat binnen de range valt van een begin jaren negentig gemaakte schatting van 630-760 paren (Bijlsma 1993). Eerdere schattingen waren te laag. Gezien de mogelijkheid van overschatting door tellers en met het oog op de op zijn minst regionale afname is 500-650 paren een betere schatting.

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's