Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Vuurgoudhaan

Regulus ignicapilla
Vuurgoudhaan mannetje
Fotograaf: Michel Geven

Verspreiding

De Vuurgoudhaan is in een kwart van de atlasblokken vastgesteld als zekere of waarschijnlijke broedvogel. Ten opzichte van de nauw verwante Goudhaan (47%) is dit een aanzienlijk magerder score. Dit verschil is reëel, zelfs wanneer wordt ingecalculeerd dat de soort hier en daar zal zijn gemist; ondanks een sterk gestegen kennis van determinatiekenmerken zijn er immers nog steeds vogelaars die de zang van de Vuurgoudhaan onvoldoende kennen – of eventueel missen vanwege gehoorproblemen. De minder ruime verspreiding in Nederland weerspiegelt de in vergelijking met de Goudhaan lagere aantallen (gevolg van de late kolonisatie van ons land, tevens indicatief dat ons land niet tot het Europese kerngebied behoort) en de nog striktere binding aan sparren. In puur dennenbos, dat door Goudhanen in jaren met een hoog populatieniveau niet wordt gemeden, ontbreken Vuurgoudhanen. De broedzekerheidskaart overlapt dan ook in hoge mate met het voorkomen van sparrenbos in Nederland, dat grotendeels voorbehouden is aan de hogere gronden. Waar sparren in Laag-Nederland over voldoende oppervlakte voorkomen (meer dan 10 ha), zijn ook daar Vuurgoudhanen aangetroffen, inclusief de inpolderingen. Omdat sparrenbos echter pas op een leeftijd van minstens 20 jaar geschikt wordt voor de soort en hoge dichtheden voorbehouden zijn aan leeftijden vanaf 40 jaar (Hustings 1984), komt de Vuurgoudhaan wel voor in de oudst aangeplante bossen (Robbenoordbos in Wieringermeer, Kuinderbos in Noordoostpolder), maar niet in de jongere bossen van Zuidelijk Flevoland, waar sparrenbos trouwens ook schaars is. Het wat mottige verspreidingsbeeld in Salland en delen van Noord-Brabant en Noord-Limburg is een uitvloeisel van de dominantie van grove den in deze bosrijke streken. De geschatte aantallen per atlasblok vertonen vaak, maar niet altijd, een relatie met de oppervlakte sparrenbos (CBS 1985). In Drenthe, op de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug geldt dat waar het meeste sparrenbos voorkomt, gewoonlijk ook de hoogste aantallen Vuurgoudhanen worden gemeld. Ook elders vallen lokale concentraties Vuurgoudhanen vaak samen met een grote oppervlakte sparrenbos, zoals in het Montferland en hier en daar in oostelijk Noord-Brabant (Stippelbergen bij De Rips, Leenderbos bezuiden Valkenswaard). Voor Twente, de oostelijke Achterhoek en Zuid-Limburg geldt deze relatie niet. In deze gebieden komt weinig sparrenbos voor, maar is vooral de combinatie met rijk oud loofbos aantrekkelijk. Vuurgoudhanen vestigen zich namelijk zowel in monocultures van sparren als in rijk loofbos met enige bijmenging van sparren; het voedsel, dat wat grotere insecten omvat dan bij de Goudhaan, wordt in het laatste geval veelvuldig in loofbos gezocht (Thaler 1990). In het uiterste zuiden van Limburg, dat aanschurkt tegen een enorm vuurgoudhanenbolwerk in de Ardennen (België) en Eifel (Duitsland), broedt zeker 15% in gemengd bos. Territoria in puur loofbos zijn hier niet zeldzaam, in tegenstelling tot elders in het land. Dergelijke loofhoutbewoners hebben een sterke voorkeur voor met klimop of bosrank overwoekerd eiken-haagbeukenbos, vaak op verstoorde grond zoals bij voormalige kalkgroeves (Hustings 1984).

Veranderingen

De vestiging van de Vuurgoudhaan in Nederland, in 1928, was onderdeel van een noordwaartse expansie in de 20e eeuw waarbij ook België (1916), Denemarken (1961), Engeland (1962) en Zweden (1990) werden gekoloniseerd (Hagemeijer & Blair 1997). Het veldwerk in 1973-77 voor de vorige atlas viel in een periode waarin de uitbreiding over Nederland nog volop aan de gang was, en de recente kaarten tonen aan dat dit proces daarna heeft doorgezet. Vooral in gebieden als Salland, de Noordwest-Achterhoek, Noord-Brabant en Midden-Limburg vond een substantiële uitbreiding plaats. De vestiging in West-Nederland heeft, grotendeels bij gebrek aan geschikte habitat, geen duidelijk vervolg gekregen. Hoewel intensiever veldwerk en verbeterde soortkennis in sommige regio’s het beeld wat zullen flatteren, reflecteert de verruimde verspreiding een daadwerkelijke uitbreiding. In sommige met een gelijkblijvende methode opnieuw onderzochte regio’s, zoals delen van Midden-Limburg, namen aantallen en verspreiding in de jaren negentig nog steeds toe (Koopmans et al. 2000). Het ouder, en daardoor geschikter worden van sparrenaanplant lijkt hiervoor de meest aannemelijke oorzaak. Toch is het landelijke beeld niet uitsluitend rooskleurig. In verschillende lang bezette gebieden, zoals Zuidwest-Drenthe, de Zuidoost-Achterhoek en Zuid-Limburg liggen de aantallen momenteel 30-50% lager dan twee of drie decennia eerder (Bijlsma et al. 2001), al heeft dat nog niet geleid tot een inkrimping van de verspreiding. De oppervlakte sparren is na zware stormen sterk verminderd (geldt vooral voor Drenthe), terwijl gekapte sparren vaak niet vervangen worden door gelijksoortig bos in het kader van de omvorming van productiebossen in meer natuurlijke loofbossen. Hoewel de effecten van dit moderne bosbeheer op Vuurgoud­hanen (nog) niet overal merkbaar zijn (Vogel 1995), valt op de lange termijn toch enige afname van de landelijke populatie te verwachten.

Aantallen

Uitgaande van het atlasmateriaal zou de huidige broedpo­pulatie rond 4400 paren omvatten, minder dan in 1979-85 werd geschat (5000-8000 paren). Hoewel veel atlastellers vermoedelijk te conservatief hebben geschat (landelijke schatting derhalve 5000-7000 paren), is het duidelijk dat de verwachte sterke toename van de landelijke populatie in de afgelopen twee decennia is uitgebleven.

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's