Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Sijs

Spinus spinus

De Sijs en de Els, de Els en de Sijs. Dat is een echte liefdesband. Sijzen peuteren met grote behendigheid de zaadjes uit de elzenproppen en kunnen barre winters overleven. Ook in het bos kun je ze vinden, met name foeragerend op de zaden van berken en lariksen.

Sijs vrouwtje
Fotograaf: Kees van der Klauw

Verspreiding

Binnen de atlasperiode waren Sijzen in 1998 het meest algemeen. In 1998-2000 waren 284 atlasblokken bezet, waarvan 31% alleen mogelijke broedgevallen betrof (verkeerd beoordeelde zingende pleisteraars, of – minder aannemelijk – echte broedvogels). De grootschalige naaldbossen benoorden de Grote Rivieren vormen momenteel hèt bolwerk van Sijzen, althans in jaren dat de broedvogelaantallen hoog liggen. Het kerngebied ligt op de Veluwe, met daarnaast een vrijwel dekkend voorkomen op de Utrechtse Heuvelrug en in Drentse boswachterijen. De karige bezetting van boswachterijen langs de Hondsrug in Oost-Drenthe is mogelijk het gevolg van kartering in een sijzenarm jaar (1999 of 2000). Dat geldt waarschijnlijk ook voor de naaldbossen in Zuidoost-Friesland, Zuidoost-Groningen, Salland en de Noordoostpolder (Kuinder- en Voorsterbos). Twente, de Achterhoek en de grote boswachterijen in Noord-Brabant en Limburg zijn nóg spaarzamer en meer verbrokkeld bezet; dat geldt ook voor de naaldbosrijke delen van de duinen in West-Nederland en de Waddeneilanden. Vermoedelijk is dit reëel, omdat het om kleine geïsoleerde naaldbossen of dennen­aanplant op arme zandgronden gaat. De kwantitatieve gegevens bevestigen en nuanceren bovenstaand beeld, zelfs indien we rekening houden met jaarlijkse verschillen in dichtheid en kwaliteitsverschillen tussen waarnemers. De Veluwe springt eruit, helaas deels gebaseerd op fictieve schattingen voor goede sijzenjaren zonder dat de betreffende blokken toen onderzocht werden (Noordwest-Veluwe). Hoge dichtheden correleren hier het best met het oppervlak douglasspar per blok (vergelijk met CBS 1985). Uitgaande van de laagste waarde per aantalsklasse leverden atlasblokken met minder dan 10, 10-49, 50-99, 100-199 en meer dan 200 ha douglas resp. gemiddeld 2,0, 4,3, 2,0, 9,7 en 12,7 paren per bezet blok op. In al deze blokken bedraagt daarnaast het aandeel grove den minimaal 200 ha. In Drenthe correleerde het kwantitatieve voorkomen van Sijzen positief met oplopend oppervlak fijn- en sitkaspar per blok (zelfde categorieën als bij douglas, zie hierboven): resp. minimaal 1,0, 1,8, 2,2, 4,0 en 8,7 paren/bezet blok (voor lariks resp. minimaal 2,1, 1,8, 2,6 en 8,7 paren/bezet blok voor de eerste vier categorieën). Omdat de menging van naaldboomsoorten het grootst in Drenthe is, mogen we aannemen dat Sijzen hier ook hun Nederlandse Mekka vinden. Zaadzetting van de verschillende boomsoorten loopt vaak asynchroon (meer armslag bij keuze van voedselbronnen in Drenthe), terwijl de kegels in nawinter en voorjaar het eerst opengaan bij lariks, gevolgd door sparren en het laatst bij dennen. Waar deze boomsoorten naast elkaar voorkomen, kunnen Sijzen dus soms profiteren van een gespreid aanbod van zaad. De samenstelling van de naaldbossen verklaart ook waarom Sijzen in Drenthe, op de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug een aanmerkelijk hogere dichtheid bereiken dan in Noord-Brabant en Limburg; bezuiden de rivieren zijn de naaldbossen veel eenzijdiger door de schaarste aan lariks en sparren (CBS 1985).

Veranderingen

De positieve trend van de jaren zeventig heeft zich sindsdien voortgezet (Bijlsma et al. 2001). Het aantal bezette atlasblokken was in 1998-2000 met 162% gestegen ten opzichte van 1973-77. Toch heeft Nederland geen ‘vaste’ broedpopulatie. Als irrupties enige jaren achtereen uitblijven, kan de soort als broedvogel volledig van het toneel verdwijnen. Dat er gemiddeld genomen toch sprake is van toename komt door de veranderingen in Europese bosbouwpraktijken in de afgelopen eeuw. Over enorme oppervlakten werden inheemse (loof)boomsoorten en ‘woeste gronden’ vervangen door hoogproductieve exoten (veelal sparren en dennen) die op industriële wijze worden geteeld en geoogst (Gatter 2000). Deze snelle uitbreiding in naaldbosareaal kent zijn weerga niet en heeft zich op veel kleinere schaal ook in Nederland voorgedaan; een eeuw geleden was naaldbos in Drenthe en Noord-Brabant bijvoorbeeld vrijwel afwezig.

In de jaren tachtig en negentig raakten in de oostelijke helft van het land steeds meer naaldbosrijke blokken bezet, op de kaart te zien als een verdichting in Drenthe, op de Veluwe en in Noord-Brabant en Limburg. Een (tijdelijke) vestiging deed zich ook voor in de duinen, Zuidoost-Groningen, Salland, de Achterhoek, Flevoland en op de centrale Utrechtse Heuvelrug. De bezettingsgraad is waarschijnlijk nog dichter in piekjaren, met name in Drenthe, de bossen van de Noordoostpolder, Salland en Het Gooi. De Waddeneilanden zijn spaarzaam en niet ieder jaar bezet.

Zonder immigratie houdt de Sijs zich echter (nog?) niet staande in Nederland. Vermoedelijk is ons land – net als voor de Kruisbek – een marginaal overloopgebied van de enorme oostelijke kernpopulatie. In hoeverre de aantals­toename in Midden- en Oost-Europa eveneens een rol speelt, staat te bezien (Bezzel 1995).

Aantallen

Vóór 1970 waren Sijzen niet-jaarlijkse en schaarse broed­vogels. De stand in 1973-77 werd geschat op 25-30 paren. De daaropvolgende jaren toonden een snelle groei, van 300-700 paren in 1979-85 naar maxima van 1500-2500 in 1989 en 1800-2400 in 1992 (piekjaren). In de tussenliggende jaren was de soort afwezig of schaars. Na 1992 bleef de stand in de meeste jaren laag tot zeer laag (vrijwel afwezig in 1993, 1996 en 2000). Uitgaande van de aantalsopgaven per bezet atlasblok komt de populatie in 1998 uit op 500-1200 paren, een redelijk sijzenjaar.

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's

Zo herken je de sijs

Fotograaf: René de Waal

Kenmerken

Sijzen zijn kleine, sierlijke vinken. Ze hebben een korte, gevorkte staart (1) en een vrij lang, spits snaveltje (2).

Kleed man

Mannetje sijs. De zwarte kin is op deze foto niet zichtbaar.

Het mannetje is geelgroen, met gestreepte flanken (3). De kruin (4) en kin zijn zwart. In vlucht is de vleugel overwegend zwart, met een opvallende gele vleugelstreep (5). In zit vormt de vleugel een bont patroon van zwart en geel. De buitenste staartpennen zijn aan de basis geel (6), net als de stuit (7).

Op onderstaande foto is de zwarte kinvlek goed zichtbaar. De grootte van de kinvlek varieert per individu.

Kleed vrouw

Het vrouwtje heeft een geel-witachtig en gestreept kleed. De vleugel is, net als bij het mannetje, zwart met gele vleugelstreep. Het zwart op de kruin en kin ontbreekt.

 

Het vrouwtje van de sijs heeft meer een geelwitte tint en is diffuser getekend.

Juveniel kleed

Sijs juveniel Fotograaf: René de Waal

De jonge sijs is donker gestreept op een bruinachtige mantel en rug en witachtige borst. De vleugelstreep is witachtig (9).

Sijs juveniel Fotograaf: René de Waal

 

Kenmerkend gedrag

  • Sijzen broeden bij voorkeur hoog in naaldbomen, vooral sparren. Overal waar uitgestrekte naaldbossen zijn, zoals in Scandinavië, in bergebieden in Zuidoost-Europa en de Britse eilanden.
  • Sijzen zijn echte zaadeters. De puntige snavel is bij uitstek geschikt om kleine zaden uit berkenkatjes, elzenproppen en kegels van bijvoorbeeld lariksen te peuteren. Omdat deze zaden vaak lastig te bereiken zijn moeten allerlei toeren uitgehaald worden om er bij te komen. Vaak hangen sijzen dan ook ondersteboven te foerageren.
  • Sijzen foerageren in groepen, soms met vele tientallen bij elkaar. Toch zijn ze vaak moeilijk te ontdekken; hoe langer je kijkt, hoe meer je er ontdekt. Hun voortdurende ‘gebabbel’ verraad hun aanwezigheid.

    Sijzen halen allerlei toeren uit om bij de zaden te komen Fotograaf: René de Waal

Trekgedrag

In de winter trekken sijzen vanuit Oost- en Noord-Europa naar onze omgeving. De aantallen kunnen per jaar enorm sterk verschillen.

Gelijkende soorten

  • De Europese kanarie kan op het eerste gezicht verward worden met de sijs, maar heeft een kort, dik snaveltje, en is veel zwaarder gestreept. Het mannetje is net als de sijs geel, maar de zwarte kruin en kin ontbreken, net als de brede vleugelstreep.

Wist je dat?

  • Sijzen broeden in wisselend aantal in Nederland, met name op de Veluwe en in Drenthe. Daar zijn de aangeplante naaldbomen door hun leeftijd inmiddels van een geschikte omvang.
  • De sijs heeft een korte, golvende vlucht. Een groep sijzen lijkt min of meer door elkaar te dwarrelen.