Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Rietzanger

Acrocephalus schoenobaenus
Vliegende en zingende Rietzanger
Fotograaf: Bert Ooms

Verspreiding

Rietzangers zijn aangetroffen in 45% van de atlasblokken. De soort is tegenwoordig bij uitstek gebonden aan Laag-Nederland, zoals te zien is aan de scherpe verspreidingsgrens die dwars door ons land loopt van noordoost naar zuidwest. De soort ontbreekt grotendeels op de zandgronden en in het oostelijk rivierengebied. De hoogste relatieve dichtheden worden vastgesteld in laagveenmoerassen en inpolderings­gebieden, gevolgd door moerassen op kleigronden. Hierdoor laat de relatieve dichtheidskaart verspreidingskernen zien in het Lauwersmeer, het Friese merengebied, de moerassen van Zuid-Friesland en Noordwest-Overijssel (Wieden, Weerribben), de Oostvaardersplassen, Vechtplassen, Nieuwkoopse Plassen en de Biesbosch. Zowel atlasblokken met uitgestrekte rietvelden alsook polders met veel overjarige riet­zomen langs sloten en petgaten zijn goed bezet. Plas-draspolders met verspreide rietopslag herbergen vaak veel broedparen, zodat de weidevogelrijke gebieden van Waterland en de Zaanstreek ook voor deze zangvogel belangrijk zijn. Ook in door akkerbouw gedomineerde gebieden kunnen Rietzangers aanzienlijke dichtheden behalen, mits er voldoende rietruigte aanwezig is langs vaarten of kreken, zoals het voorkomen in de Wieringermeer en Zeeuws-Vlaanderen aantoont. Stedelijk gebied wordt niet gemeden; Rietzangers kunnen zich hier vestigen op ruderaalterreinen met natte ruigtes, zoals overhoekjes op industriegebieden.

Verandering

Sinds de vorige atlasperiode is de Rietzanger uit bijna 340 atlasblokken verdwenen en in 90 als nieuwe broedvogel verschenen. In het rivierengebied is de soort veelal van de broedvogellijsten afgevoerd, en hetzelfde geldt voor de moeras­gebieden op de hogere gronden van Zuid-Groningen tot Noord-Brabant en Limburg. Ook in het midden en zuidwesten van het land, met name in Zuid-Holland en Zeeland, valt de vergelijking van beide atlas­perioden negatief uit. Slechts in enkele regio’s is de verspreiding wat ruimer geworden, zoals hier en daar in de duin­streek, het oostelijk Deltagebied en aansluitende delen van Noord-Brabant. Broedvogeltellingen uit geheel Nederland tonen een sterke achteruitgang vanaf eind jaren zestig. De indexgetallen van de laatste jaren suggereren dat de populatie bijna weer terug is op het niveau van begin jaren zeventig. Dat moet dan echter op het conto worden geschreven van de aantalsontwikkeling in het westen en noorden van het land. In sommige van oudsher belangrijke en grote leefgebieden in Noordwest-Overijssel (Veldkamp 1999a) en de Zaanstreek (Vogelbeschermingswacht Zaanstreek 1998) benaderen de huidige aantallen inderdaad die van enkele decennia eerder. De soort is echter blijvend verdwenen uit het oosten van het land en in andere regio’s met kleine en versnipperde moerassen (Foppen et al. 1999). Illustratief is de situatie in de Ooijpolder bij Nijmegen, waar in 1969 nog 125-150 paren voorkwamen terwijl de soort er in de jaren negentig geen regelmatige broedvogel meer was (Erhart & Bekhuis 1996). Vergelijkbare voorbeelden zijn bekend van Zuidwest-Drenthe (1969-70 40 paren, eind jaren negentig zo goed als verdwenen; A.J. van Dijk pers. med.), oostelijk Noord-Brabant (Kampina 1963 75 paren, 5 in 1999; Veenstra 2000), de zuidelijke Peel (75-100 paren begin jaren zestig, zo goed als verdwenen anno 1999; van Seggelen 1999a) en elders. De situatie op de Waddeneilanden, met uitzondering van Texel, wijkt af doordat de soort hier met een gestage opmars bezig is, vermoedelijk doordat er veel meer broedhabitat bij gekomen is (Bijlsma et al. 2001). De langetermijnontwikkeling in Nederland hangt nauw samen met de situatie in de Afrikaanse overwinteringsgebieden. Populatie-inzinkingen (1975, 1984, 1991) werden vooraf­gegaan door extreme droogte in de Sahel, met grote wintersterfte als gevolg. Het gedeeltelijke populatieherstel in de jaren negentig valt samen met overwegend gunstige neerslagcijfers in de Sahel. Dat er echter binnen ons land recent een tegengestelde aantalsontwikkeling bestaat, variërend van vlot herstel (noorden en westen van het land) tot het uitblijven daarvan (hoge gronden), duidt op verschillen binnen ons landschap. Aangezien er geen verschillen zijn in overwinteringsgebied tussen populaties in Laag- en Hoog-Nederland en er ook geen aanwijzingen zijn voor verschillende effecten op habitatniveau (beheer), is de verklaring gezocht in de aard van versnippering van het landschap (Foppen et al. 1999). Vooral populaties in kleine en/of sterk versnipperde leefgebieden blijken minder snel of in het geheel niet te herstellen na een inzinking. Uit verschillende studies is bekend dat dergelijke populaties een grotere kans hebben om te verdwijnen na een calamiteit (Foppen 2001). Een doorsnee rietmoeras in Hoog-Nederland is, vergeleken met moerassen in Laag-Nederland, relatief klein en ligt vaak geïsoleerd; dit zou de verschillen in ontwikkeling deels kunnen verklaren.

Aantallen

Uitgaande van de opgegeven aantallen per atlasblok kwamen in 1998-2000 ruim 22.000 paren in ons land voor (schatting 20.000-25.000). De schatting voor 1973-77 ging uit van 17.500-30.000 paren.

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's