Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Pijlstaart

Anas acuta
Pijlstaart man slaat vleugels uit
Fotograaf: Daniele Occhiato

Verspreiding

De Pijlstaart is in 65 atlasblokken (4%) vastgesteld. In de helft daarvan ging het echter alleen om mogelijke broedvogels. Dit zullen grotendeels late trekkers of overzome­raars zijn geweest, waarbij in het laatste geval minder valide vogels betrokken kunnen zijn die niet in staat waren om weg te trekken. Het merendeel van de zekere en waarschijnlijke broedgevallen vond plaats in het Wadden­gebied, rond het IJsselmeer en in het Deltagebied, met enige nadruk op het Markiezaat. Het regelmatig broeden op Griend (Baarspul & Oosterhuis 1999) toont dat een zout milieu voor Pijlstaarten geen belemmering vormt. In het binnenland werden geen zekere broedgevallen vastgesteld, met uitzondering van De Hamert in Noord-Limburg. De waar­schijnlijke broedgevallen hier zijn verstrooid over het hele land.

Niet bij alle broedgevallen zal het om wilde vogels gaan. Dat uit watervogelcollecties of parken ontsnapte Pijlstaarten tot broeden overgaan, behoort zeker tot de mogelijkheden. De zeldzaamheid als broedvogel blijkt uit het feit dat in geen enkel atlasblok meer dan drie broedparen werden opgegeven. Tel daarbij op dat het merendeel van de blokken, zeker die in het binnenland, slechts gedurende een enkel jaar bezet was, en het zal duidelijk zijn dat de Pijlstaart een uiterst schaarse broedvogel in Nederland is. In de aan de onderzoeksperiode voorafgaande jaren 1992-97 werden per jaar 6-16 zekere en waarschijnlijke broedgevallen bekend (van Dijk et al. 1999b). In de atlasperiode waren deze aantallen, ondanks de vergrote waarneem­inspanning, slechts marginaal hoger, met 13 gevallen in 1998, 19 in 1999 en tenminste 9 in 2000 (van Dijk et al. 2001b, met aanvullingen).

Veranderingen

Bij een zo schaarse en min of meer erratisch voorkomende broedvogel als de Pijlstaart is het hachelijk om de kaartbeelden van beide atlasperioden te vergelijken. Toch valt het op dat de vergelijking met 1973-77 overwegend negatief uitvalt. In ieder geval is van het voorkomen destijds in Friesland (zowel aan de IJsselmeerkust als in het binnenland), Dren­the, Noordwest-Overijssel, Flevoland en het Peel­gebied weinig meer over. Voortschrijdende vegetatiesuccessie, waardoor gebieden minder open werden, en ontginning van moeras (Flevoland) bieden hiervoor een gedeeltelijke verklaring. Ook uit de broedgebieden in Rusland, Finland, Estland, Denemarken en Oekraïne wordt enige terugloop gemeld, om onbekende redenen (Hagemeijer & Blair 1997).

Aantallen

Afgaande op de gemelde aantallen broedparen wordt de Nederlandse broedpopulatie in 1998-2000 op hooguit 20-30 paren geschat. Tijdens de vorige atlasperiode in 1973-77 kwam de schatting uit op 45-75 paren.

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's