Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Oeverloper

Actitis hypoleucos
Oeverloper op het strand
Fotograaf: Vincent Vuik

Verspreiding

Oeverlopers zijn gemeld uit 69 atlasblokken (4%). In bijna tweederde van de gevallen gaat het echter om mogelijke broedvogels. Dit zal, vooral buiten het rivierengebied, hoofdzakelijk late doortrekkers betreffen. Het aantal atlasblokken met zekere of waarschijnlijke broedgevallen (26) geeft daarom een meer realistische indicatie van het broedvoorkomen, al is dit getal wellicht aan de lage kant. Zo komt het voorkomen langs de IJssel wat mager over, aangezien geschikte broedhabitat aldaar volop aanwezig lijkt. Wellicht zijn de tellers hier te kritisch geweest of vond er onvoldoende onderzoek plaats in juni. Dit is immers dé maand om Oeverlopers te inventariseren, mede door het vrijwel ontbreken van doortrekkers in die periode (Yalden & Holland 1993, Lensink 2000).

Met deze kanttekening in het achterhoofd kunnen de Grote Rivieren als het verspreidingsgebied bij uitstek van de Oeverloper in Nederland worden aangemerkt. De meeste broedgevallen van de jaren negentig zijn vastgesteld langs de Rijn, Waal en Limburgse Maas. Het natuurontwikkelingsgebied Meinerswijk bij Arnhem vormt daarbij de enige vrijwel jaarlijks bezette locatie. Toch dienen broedgevallen buiten dit ver­spreidingsgebied nooit bij voorbaat te worden uitgesloten. Dit wordt aangetoond door zekere broedgevallen in de atlas­periode langs een vijver op de Hoge Veluwe (1998), bij de Ackerdijkse Plassen in Zuid-Holland (1998), de IJsselmeerkust bij Onderdijk, even ten zuiden van Medemblik (1999) of, het meest a-typisch, open en bloot op een indus­trie­terrein bij Venlo (2000). Ook in voorgaande jaren werden op verrassende locaties broedgevallen vastgesteld.

De kans om broedende Oeverlopers tegen te komen is het kleinst in de drie noordelijke provincies en in Flevoland, Zeeland en Noord-Brabant.

Veranderingen

In de vorige atlas werden relatief veel waarschijnlijke (en mogelijke) broedgevallen gemeld buiten het rivierengebied, zoals in Zuidoost-Groningen, Twente en de Achterhoek. Op grond van de huidige kennis van voorkomen en broed­biologie kan het merendeel van deze gevallen als vermoedelijke doortrekkers worden bestempeld. Daar staat tegenover dat de huidige verspreidingskaart meer meldingen vertoont langs Rijn en Waal. Dit wordt beoordeeld als een reële toename.

Hoewel vergelijking van de verspreiding in beide atlassen dat nog niet doet vermoeden, is het aantal broedende Oever­lopers in Nederland de afgelopen decennia toegenomen. Dit blijkt goed uit het aantal bekend geworden waarschijnlijke en zekere broedgevallen per jaar. Ging het in de jaren zeventig en tachtig om 0-1 meldingen per jaar, in het begin van de jaren negentig liep dit op tot 1-4 en medio jaren negentig tot 3-11 (Erhart 1994, 1997). Hoewel deze toename deels een gevolg kan zijn van intensiever onderzoek, bestaat er vermoedelijk ook een link met het starten van natuurontwikkelings­projecten in Nederland, in het bijzonder in het rivieren­gebied. Het door graafwerk toegenomen aantal meters oeverlengte is gunstig voor deze soort; ruigtekruiden en wilgenopslag langs deze oevers bieden goede nestgelegenheid terwijl slikranden voor foerageermogelijkheden zorgen. Vooral in een droog broedseizoen is er tegenwoordig betrekkelijk veel broedgelegenheid voorhanden in het rivieren­gebied (Erhart 1997).

De herkomst van de in Nederland broedende Oeverlopers is onduidelijk. Het is niet waarschijnlijk dat de toename in Nederland een gevolg is van overloop uit aangrenzende gebieden. Langs de Rijn in het aangrenzende deel van Duitsland broeden Oeverlopers alleen bij uitzondering, en de kleine populatie in de Belgische Ardennen lijkt niet erg te floreren. De dichtstbijzijnde omvangrijker broedpopulatie bevindt zich in Noordoost-Frankrijk. In geen van de ons omringende landen wordt overigens melding gemaakt van een toename als broedvogel (Hagemeijer & Blair 1997).

Aantallen

In 1998-2000 werden 6, 2 resp. 2 zekere broedgevallen gemeld en 6, 4 resp. 3 waarschijnlijke broedgevallen. Naar schatting komen er jaarlijks 5-10 paren tot broeden in Nederland. Hoewel deze schatting overeenkomt met die medio jaren zeventig is de Oeverloper in Nederland sindsdien toegenomen, aangezien de oude schatting te hoog was (0-3 is beter).

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's