Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Nachtegaal

Luscinia megarhynchos

Nachtegalen zijn fabelachtige zangers die een hoofdrol spelen in menig gedicht en toneelstuk. Je zou dus verwachten dat een dergelijke schoonheid alleen te horen zou zijn in ongerepte natuurgebieden, maar dat is niet zo. Met een bescheiden stadsparkje met wat ondergroei neemt de Nachtegaal ook genoegen, waarbij hij dan ook nog bij voorkeur de verguisde Brandnetels uitkiest om zijn nestje onder te bouwen.

Zingende Nachtegaal
Fotograaf: Vincent Vuik

Verspreiding

Met zijn opvallende zang is de Nachtegaal amper te missen. De verspreiding, die bijna de helft van de atlasblokken omvat, zal daarom goed in kaart zijn gebracht.

De Hollands-Zeeuwse duinen, waar het merendeel van de atlasblokken bezet is, vormen een zwaartepunt binnen de verspreiding. Grootschalige open landschappen, zoals de akkergebieden van Noord- en Zuidwest Nederland en de veenweide- en kleigraslanden van Laag-Nederland, moeten het vrijwel zonder Nachtegalen stellen. Alleen erfbeplanting rond boerderijen en jonge aanplant in bermen, dorpen en buiten­wijken oefenen hier voldoende aantrekkingskracht uit voor de soort. In grote aaneengesloten droge bosgebieden broeden gewoonlijk evenmin Nachtegalen, zoals het nagenoeg ontbreken op de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug en elders op de zandgronden toont. De strooisellaag hier is doorgaans te zuur ofwel dichtbegroeid met grassen, en daarmee ongeschikt. Het is curieus dat ook de rijk gestructureerde en deels vochtige hellingbossen van Zuid-Limburg (inmiddels) een witte vlek vormen.

Biedt de verspreidingskaart nog een enigszins homogeen beeld, heel anders is het op de relatieve dichtheidskaart. De Hollandse en Zeeuwse duinen, vooral bezuiden Bergen, springen dan direct in het oog. Het ruime aanbod van weelderige struwelen van duindoorn, vlier en meidoorn in combinatie met een dichte kruidenondergroei trekt Nachtegalen onweerstaanbaar aan (van Ommering & Verstrael 1987, Ruitenbeek et al. 1990). In de kalkarme duinen ten noorden van Bergen, waar struweelvormers als duindoorn en meidoorn schaarser zijn, ligt de broeddichtheid veel lager. Op de Waddeneilanden herbergen alleen de wat vochtiger duinen, zoals op de westpunt van Ameland en Schiermonnikoog, aanzienlijke aantallen. De Biesbosch is het enige gebied waarvan de dichtheid zich kan meten met de Hollands-Zeeuwse duinen. Het verwaarlozen van de griendcultuur leidde hier tot de ontwikkeling van vochtige wilgenbossen met een haast ondoordringbare ondergroei van brandnetels en kleefkruid, waaronder de op de bodem foeragerende Nachtegaal echter goed uit de voeten kan (Meijer 1995).

Op de hogere zandgronden is de dichtheid laag, met lokaal gunstige uitzonderingen in broekbos, populierenbos of ander loofbos met een hoge grondwater­stand zoals in het Aaltense Goor in de Achterhoek, hier en daar in de Meierij (Noord-Brabant) en in Midden-Limburg (omgeving
Weert en Susteren). Het voorkomen langs de Grote Rivieren is mager, met uitzondering van de Gelderse Poort (wilgenstruweel in kleiputten) en hier en daar op landgoedbossen.

Veranderingen

De Nachtegaal is sinds de vorige atlas uit veel meer atlasblokken verdwenen dan nieuw verschenen. Vooral op de hogere zandgronden heeft de soort veel terrein prijsgegeven. De door grondwaterpeilverlaging sterk toegenomen verdroging, waardoor de bosbodems verruigd zijn, was hiervan ongetwijfeld de belangrijkste oorzaak, met het verdwijnen van vochtige loofbosjes en houtwallen als goede tweede (Bijlsma et al. 2001). In Laag-Nederland daarentegen is de verspreiding dichter geworden. De aanleg en ontwikkeling van nieuwe bossen (Flevoland) of structuurrijke aanplant langs wegen en spoorlijnen maakte het landschap hier aantrekkelijker voor de soort. Nu de duinen ‘vol’ lijken te zitten, worden Nachte­galen bovendien op steeds meer plekken gehoord waar ze in West-Nederland midden 20e eeuw niet voorkwamen, zoals industrieterreinen, recreatiegebieden en groenstructuren in de bebouwde kom. In Oost-Nederland was dit vrij algemeen op leem- en kleibodems, zoals in Twente, de Achterhoek en oostelijk Noord-Brabant.

Het inkrimpen van het broedareaal is niet uniek voor Nederland. In heel Europa heeft de Nachtegaal broedgebied prijsgegeven (Hagemeijer & Blair 1997). Dat de afname van het Nederlandse broedareaal niet heeft geleid tot een vergelijkbare achteruitgang in de omvang van de broedpopulatie, is echter bijzonder. De aantallen in de Hollandse en Zeeuwse duinen domineren deze ontwikkeling volledig, met een geschatte vervijfvoudiging van de aantallen sinds de jaren zes­tig. De vermestende atmosferische depositie, de drijvende kracht achter de verstruiking van de duinen (Kooijman et al. 2000), had voor de Nachtegaal zeker positieve gevolgen (Verstrael & van Dijk 1997)! Vanaf medio jaren zeventig raakten ook de landgoederen aan de binnenduinrand steeds meer bevolkt en zijn voorheen niet-bezette duingebieden gekoloniseerd, zoals tussen Katwijk en Noordwijk (van Dijk & Hoek 1989). Het afgelopen decennium is deze toename tot stilstand gekomen, waarschijnlijk omdat de maximale dichtheid inmiddels is bereikt: de duinen zitten ‘vol’. Gezien de grote aandacht die in het hedendaagse duinbeheer wordt besteed aan het terugdringen van de verstruiking en verruiging (Kooijman et al. 2000, Roos et al. 2000) kan worden verwacht dat de aantallen in de duinen in de komende jaren verder zullen afvlakken en zelfs wat terug­lopen.

Aantallen

De huidige broedpopulatie wordt geschat op 6500-7500 paren, uitgaande van de opgegeven aantallen per atlasblok (bijna 6900 paren). Vergeleken met eind jaren zeventig en begin jaren tachtig (7500-10.000 paren) betekent dit, ondanks de opmars in Laag-Nederland, toch een afname.

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's