Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Matkop

Poecile montanus
Matkop
Fotograaf: Annie Keizer

Verspreiding

De Matkop werd opgespoord in 65% van de atlasblokken. Hij ontbreekt op de Waddeneilanden (behalve Schiermonnik­oog) en in de meeste zeekleipolders van Noord- en West-Nederland. Bosarme landschappen op andere bodems, zoals de Drents-Groningse veenkoloniën, de IJsselmeerpolders en de Hollandse laagveenweiden, vertonen eveneens lacunes. De duinen zijn ijl bezet van Castricum tot Voorne. Daarentegen is de verspreiding op de zandgronden bijna aaneengesloten.

De relatieve dichtheidskaart toont niet alle bestaande kerngebieden, omdat het kilometerhokonderzoek niet was toegespitst op vroeg zingende standvogels en de territoria zelfs in optimale habitat betrekkelijk dun gezaaid zijn (4-20/100 ha). In Laag-Nederland en de duinstreek is de Matkop veelal zeldzaam, met uitzondering van struweelrijke moerasbossen. Waarschijnlijk zijn broekbossen ideaal door de overvloed aan snel rottend zachthout (nestplaatsen, insectenlarven), terwijl het voor de Matkop, die zelden hoger dan 10 m foerageert (Cramp & Perrins 1993), niet bezwaarlijk is dat dit bos doorgaans laag blijft. In De Weerribben, rond de Vechtplassen en het Naardermeer, maar ook in weelderige, doorgeschoten wilgengrienden (Biesbosch) is ruim de helft van de kilometerhokken bezet. Jonge loofbossen op vochtige bodem (Zuidelijk Flevoland) en besloten, bosrijke landschappen op rivierklei (populierenbossen en grienden in de Betuwe) of lage zandgronden (Friese Wouden, Meierij in Noord-Brabant) zijn eveneens geliefd. Ook op de hogere gronden kan 70% of meer van de kilometerhokken bezet zijn in parkachtig cultuurlandschap, zeker indien dit doorsneden wordt door beekdalen met broekbosjes (Twente, Achterhoek, oostelijk Noord-Brabant, Midden-Limburg). Voorts liggen er zwaartepunten op de voedselarme zandgronden van West-Drenthe, Salland (Holterberg), de Veluwe, de Utrechtse Heu­vel­rug, Noord-Brabant en Limburg. Daar worden zowel naaldbossen als eiken-berkenbossen bewoond, evenals verboste heide. In grove dennenbos zijn alleen de jonge stadia (tot 25 jaar) minder bezet (Poelmans & van Diermen 1997). Waar Matkop en Glanskop naast elkaar voorkomen, bereikt de Glanskop vaak hogere relatieve dichtheden op voedselrijke bodems (Duinstreek, zomen van de Veluwe, Zuid-Limburg); het omgekeerde geldt voor voedselarme zandgronden (Drenthe, centrale Veluwe, overig Limburg).

Veranderingen

Ten opzichte van 1973-77 daalde het aantal bezette atlasblokken met 5%. Vooral Laag-Nederland leed gevoelige verliezen. De verspreiding werd ijler in de veenkoloniën, het Utrechts-Hollandse laagveengebied, de Rijnmond, Zeeland en het rivierengebied. Waarschijnlijk werden vooral vochtige loofbosjes verlaten, maar het blijft gissen naar de oorzaken van deze aderlating. In Flevoland trad leegloop op in de Noordoostpolder, maar koloniseerde de Matkop – mogelijk tijdelijk – het jonge loofbos in de meest recente polder (Zuidelijk Flevoland), wat trouwens ook geldt voor het Lauwers­meer. Dit stemt overeen met het gegeven dat jonge (en oude) loofbossen aantrekkelijker zijn dan middeloude opstanden (Poelmans & van Diermen 1997). Enige areaaluitbreiding vond verder alleen plaats in Noord-Groningen en Friesland, waarbij ook Schiermonnikoog werd bereikt. In de jaren zeventig en tachtig toont de landelijke broed­vogelindex geen duidelijke trend, maar sinds 1991 openbaart zich een fikse terugval (-40%). Broedvogelkarteringen bevestigen de afname in laagveengebieden (De Wieden) en de Noordoostpolder. Echter, ook in loofbos op andere voedselrijke bodems (Zuid-Limburgse hellingbossen) en in naaldbos op de zandgronden (West-Drenthe, Veluwe), waar het verspreidingsbeeld niet veranderde, liepen populaties met 60-77% terug tijdens het laatste decennium van de 20e eeuw (Bijlsma et al. 2001). In Engeland daalt de broedindex reeds sinds 1975 fors (Baillie et al. 2001). Verdroging, verruiging, afnemende ondergroei door de geleidelijke overgang naar gesloten bos of toenemende nestpredatie door Grote Bonte Spechten kunnen hierbij een rol spelen. Strenge winters deren de landelijke broedpopulatie nauwelijks. Matkoppen kunnen ‘s nachts hun lichaamstemperatuur 10° c laten zakken en stemmen hun complexe sociale gedrag af op de omgevingstemperatuur (Hagemeijer & Blair 1997). Bovendien verstopt elke Matkop in de herfst voedsel en maakt aldus een voorraad die bij adulte vogels de winter­behoefte kan dekken (Cramp & Perrins 1993). Scherpe index­dalingen (meer dan 20%) traden op in 1975, 1983 en 1995. Dat laatste jaar daalden trouwens de populaties van alle koude­bestendige hamsteraars (Boomklever, Glanskop, Kuifmees en Zwarte Mees). De winter van 1994/95 was de op één na natste van de 20e eeuw en staat (met 1974/75) in de top vijf van warmste winters. Misschien heeft de winterharde Matkop nog het meest te duchten van warme vochtige winters, wanneer zijn proviand bederft.

Aantallen

Met een uit bmp-getallen en het atlasmateriaal berekend getal van bijna 26.000 paren wordt de Nederlandse broedpopulatie op 20.000-30.000 paren gesteld. De schatting in 1979-85 kwam uit op 40.000-60.000 paren.

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's