Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Kuifmees

Lophophanes cristatus
Kuifmees
Fotograaf: Daniele Occhiato

Verspreiding

De Kuifmees is in 40% van de atlasblokken opgespoord. Omdat hij van april tot juni goed is vast te stellen, werd de ver­spreiding nauwkeurig in beeld gebracht. De soort is wijd verspreid in naaldbos op de zandgronden, met voorposten in Oost-Groningen, Gaasterland, het Kuinderbos (Noordoostpolder), Roggebotzand (Oostelijk Flevoland) en bij Clinge (Zeeuws-Vlaanderen). In Zuid-Limburg is de verspreiding hoofdzakelijk beperkt tot zandopduikingen rond Schinveld-Brunssum en de grotere hellingbossen. In de duinstreek komen kernen voor in Corsicaanse en Oostenrijkse dennen van Schoorl tot Wassenaar en in geïsoleerde atlasblokken bij Monster en Westenschouwen. In Laag-Nederland, waar nauwelijks Kuifmezen broeden, hebben de mogelijke broedgevallen ten dele betrekking op emigrerende eerstejaars vogels. Deze kunnen reeds vanaf half juni ver van hun geboorteplaats opduiken (Lens 1994).

In Nederland hebben Kuifmezen een voorkeur voor dennen. Deze groeien vooral op de hogere, droge en voedselarme zandgronden en zijn schaarser op leemhoudende of lagere zandgronden. De relatieve dichtheidskaart toont dan ook een talrijk voorkomen in grote delen van de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug. Op de zuidelijke zandgronden ligt een reeks kernen van de Brabantse Wal, via de Kempen en oostelijk Noord-Brabant tot Noord-Limburg. Op de oostelijke zandgronden is de Kuifmees, buiten Salland en de noordelijke Achterhoek, zelden talrijk, op de noordelijke zandgronden alleen in West-Drenthe. De naaldbossen op de Hondsrug worden in mindere mate bewoond, vanwege het grote aandeel sparren en lariksen (van den Brink et al. 1996). Verder bepalen leeftijd, oppervlakte en ligging de dichtheid in een bos. In oude (ouder dan 60 jaar) bestanden van grove den of zeeden komen 20-40 paren per 100 ha voor (o.a. Bijlsma 1990c, Bult 1992). De dichtheid daalt naargelang het aandeel oude bomen – voor Kuifmezen het meest productief (Lens 1994) – afneemt. Desondanks is de Kuifmees in jonge (16-25 jaar) dennenopstanden vaak de talrijkste mees. Naaldbossen kleiner dan 50 ha (fragmenten) zijn minder optimaal dan aaneengesloten complexen. Naarmate deze fragmenten kleiner zijn, verminderen zowel bezettingsgraad (Poelmans & van Diermen 1997) als dichtheid (Lens 1994). Nestjongen hier groeien trager op, waardoor zij later kunnen emigreren en nauwelijks kans maken op een territorium in aaneengesloten bos (Lens 1994). Voorts is het voor de weinig mobiele Kuifmees, met zijn sterke fixatie op dennen, niet eenvoudig om ver van reservoirgebieden gelegen naaldbossen (Wadden­eilanden, Zeeuwse duinen) permanent te koloniseren.

Veranderingen

De verspreiding veranderde nauwelijks gedurende de laatste 25 jaar, al steeg het aantal bezette atlasblokken aan de rand van de kerngebieden. Zulke perifere vestigingen zijn niet altijd permanent. Zo werden atlas­blokken in de Noordoostpolder en de Zuid-Hollandse duinen verlaten. Ook Midden-Drenthe, de Gelderse Vallei en Zuid-Limburg kenden enige leegloop. Dit kan zowel het gevolg zijn van het vellen van naaldbos, als van het uitsterven van geïsoleerde populaties.

De bmp-index verdubbelde tussen 1970 en 1990, waarbij het ouder worden van naaldbossen meespeelt (fluctuaties in jaren zeventig overtrokken door kleine steekproef). Sindsdien lijkt de landelijke situatie stabiel, met mogelijk enige neiging tot afname. De omvorming van naaldbos in loofbos, die de laatste decennia op gang kwam, kan daarbij een rol spelen. Plaatselijk is zelfs, in tegenstelling tot de landelijke trend, een opvallende daling geconstateerd (Bijlsma et al. 2001). De landelijke trend toont nauwelijks effecten van strenge winters (uitzondering: 1978/79). Dat komt door de hoge overleving van eerstejaars en adulten gedurende onze winters. Een doorsnee territoriale wintergroep bestaat uit een volwassen paar en twee niet-verwante eerstejaars. Zij stemmen hun groepsstructuur en foerageergedrag af op de omgevingstemperatuur. Bovendien verstoppen Kuifmezen in oktober en november voedselvoorraden (Cramp & Perrins 1993, Lens 1994). Bijgevolg is er een surplus aan potentiële broedvogels aan het einde van de winter. In tegenstelling tot Scandinavië, waar aanzienlijke wintersterfte optreedt, wordt de broedpopulatie bij ons vooral gelimiteerd door territoriaal gedrag in het voorjaar. Tussen half januari en half februari worden de minst dominante individuen, vaak eerstejaars, verdreven (Lens 1994).

Hoewel stormen, mits er niet te veel dennen omwaaien, amper invloed hebben op de omvang van regionale populaties (van den Brink et al. 1996), kunnen ze aanzienlijke sterfte of dispersie induceren. Na zware stormen (januari 1990, november 1993) was rond Kalmthout 80-90% van de gekleurringde vogels verdwenen. Slechts een deel werd teruggevonden: de verste op 5,5 km, de meeste binnen 3 km van het oorspronkelijke territorium. Voor de honkvaste Kuifmees zijn dit respectabele afstanden. Na de januaristorm werden de lege territoria slechts ten dele opgevuld door immigranten, waardoor het aantal paren met 50% daalde. Daaren­tegen was er in november voldoende surplus om de lege plaatsen op te vullen (Lens 1994).

Aantallen

De extrapolatie van bmp- en atlasgegevens (19.000 paren) valt te laag uit. Naar schatting zijn er tenminste 20.000-30.000 paren aanwezig. Het verschil met eerdere schattingen (30.000-45.000 paren in 1979-85) is opvallend groot en is vermoedelijk niet reëel.

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's