Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Knobbelzwaan

Cygnus olor

Wanneer een knobbelzwaan vliegt maken de vleugels een kenmerkend zingend geluid waardoor je de soort ook op grote afstand kunt onderscheiden van andere zwanensoorten. Knobbelzwanen gebruiken hun vleugels echter niet alleen om te vliegen. Tijdens territoriumgevechten wordt er mee gedreigd en kunnen ze er rake klappen mee uitdelen, maar van de andere kant bieden ze ook liefdevolle bescherming voor de jongen wanneer die meeliften op hun ouders rug.

Knobbelzwaan
Fotograaf: Truus Aletta Maan

Verspreiding

De Knobbelzwaan is in 63% van de atlasblokken als zekere of waarschijnlijke broedvogel vastgesteld. De broedzekerheidskaart geeft bij deze opvallende soort een goed beeld van de werkelijkheid. Knobbelzwanen broeden overal waar een combinatie voorkomt van voldoende ondiep water, voedsel en een plek om te nestelen. Veenweidegebieden met veel brede, ondiepe sloten en een hoog slootwaterpeil zijn ideaal. Op de hoge gronden broeden weinig Knobbelzwanen of ontbreken ze lokaal. Daarnaast worden zilte gebieden gemeden, zodat er nauwelijks Knobbelzwanen broeden op de Waddeneilanden, in de zeekleigebieden langs de kust van Friesland en Groningen, evenals in delen van Overflakkee, Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen. Het schaarse voorkomen in de IJsselmeerpolders geeft aan dat de soort zich niet thuis voelt in grootschalige landbouwgebieden met veel bouwland, diepe sloten met hoge steile kanten en een efficiënte verkaveling.

De relatieve dichtheidskaart toont opvallende concentraties in het veenweidegebied op de grens van Utrecht en Zuid-Holland, in de aan het Markermeer grenzende delen van Noord-Holland en rond de IJsselmonding. In Noord- en Zuid-Holland kan het plaatselijk om 55-60 paren per atlasblok gaan (Ebbinge et al. 1998). Dat de dichtheid in ogenschijnlijk even geschikte gebieden in Friesland lager is, komt wellicht door de grootschalige diepteontwatering hier. De talrijkheid in het centrale veenweidegebied van Utrecht en Zuid-Holland hangt samen met de ‘zwanendriften’ in het verleden. Overal in het boerenland werden hier vroeger geleewiekte Knobbelzwanen gehouden, waarvan de jongen verkocht werden. Toen het fokken van zwanen niet meer lucratief was, werden de jongen niet meer gevangen of geleewiekt. Ze vestigden zich in de buurt en vormden daarmee een basis voor een vrij levende populatie.

Veranderingen

Ten opzichte van de vorige atlas is de verspreiding duidelijk toegenomen. De soort is in bijna 350 atlasblokken nieuw verschenen, vooral op de lager gelegen zandgronden, al gaat het hier doorgaans om slechts enkele paren per blok. Ook in het noordwesten van Noord-Brabant en aangrenzende delen van het Deltagebied vond een sterke uitbreiding plaats. De uitdijende verspreiding past binnen de geleidelijke expansie vanuit de oorspronkelijke kerngebieden in Laag-Nederland, een proces dat al in de jaren vijftig begon en nog steeds gaande is. Dat deze kolonisatie vrij langzaam verloopt, hangt samen met de grote plaatstrouw. Eenmaal gevestigde broedvogels blijven hun hele leven trouw aan hetzelfde territorium, terwijl jonge vrouwtjes de neiging hebben een territo­rium in de buurt van de geboorteplaats te zoeken. Mannetjes kennen een dergelijke voorkeur veel minder. De uitbreiding is voor verschillende regio’s goed gedocumenteerd. In Dren­the vestigde de soort zich in de jaren zestig. In 1975-76 (tijdens de eerste atlasperiode) werden 30 broedparen geteld, wat in 1990-95 was opgelopen tot 100-125 (van den Brink et al. 1996). In de Gelderse Poort nam het broedbestand toe van 5-10 paren eind jaren zestig naar 70-90 begin jaren negentig (Erhart & Bekhuis 1996).

De ruim 100 atlasblokken waaruit de soort verdwenen is, liggen verspreid over Nederland. Vaak zijn het blokken waar slechts een enkel paar broedde. Dergelijke blokken, die soms ook wat geïsoleerd liggen, hebben een vrij grote kans om na verloop van tijd weer (enige tijd) onbezet te raken doordat één of beide partners gestorven zijn. Daarnaast zullen sommige blokken door bosaanplant, aanleg van wegen en toenemende bebouwing ongeschikt zijn geworden.

De trendgrafiek lijkt op die van de midwintertellingen: een geleidelijke toename met dalingen na sommige lange en strenge winters, zoals medio jaren tachtig en in de tweede helft van de jaren negentig. Veel Knobbelzwanen sterven dan door uitputting, terwijl een deel van de overlevenden onvoldoende conditie heeft om te broeden. Verder wordt de stand kunstmatig gereguleerd door afschot en het illegaal schudden of rapen van eieren (Esselink & Beekman 1991). In Groningen verdwijnt hierdoor gemiddeld 60% van de eieren, terwijl in geheel Nederland in de jaren tachtig en negentig in sommige jaren enkele duizenden Knobbelzwanen legaal werden gedood door afschot. Vooral afschot heeft negatieve effecten op de populatieontwikkeling, zeker na strenge winters (Ebbinge et al. 1998). De recent stijgende trend wordt toegeschreven aan een combinatie van een hogere winteroverleving (zachte winters) en verminderd afschot.

Aantallen

In 1973-77 werd het broedbestand becijferd op 2500 paren. De aantalsopgaven per blok voor 1998-2000 komen uit op ruim 6300 paren. Omdat mogelijk hier en daar niet-broedvogels zijn meegeteld, wordt een voorzichtige schatting van 5500-6500 paren aangehouden. Daarnaast zijn er 11.000 niet-broedvogels die ’s zomers hun slagpennen ruien op open water (vooral IJsselmeer, Randmeren en Deltagebied).

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's