Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Kleine Barmsijs

Acanthis cabaret
Foeragerende Kleine Barmsijs
Fotograaf: Michel Geven

Verspreiding

Kleine Barmsijzen werden als broedvogel gemeld uit slechts 8% van alle atlasblokken. Hierbij inbegrepen is een vrij hoog aandeel mogelijke broedgevallen, die moeilijk te interpreteren zijn. Solitaire broedparen gedragen zich onopvallend, speciaal in de broedfase. De mannetjes zijn dan vaak in geen velden of wegen te bekennen en het nest wordt zeer goed verstopt, waardoor het aantonen van een broedgeval lastig is (let op het geringe aandeel zekere broedgevallen!). Van de andere kant worden late, niet zelden zingende, doortrekkers soms onterecht voor broedvogels versleten. Dat veel blokken met mogelijke broedgevallen zich nabij broedgebieden bevinden, kan erop wijzen dat een deel ervan toch broedvogels betreft.

De verspreiding blijft grotendeels beperkt tot de Wadden­eilanden en de Hollands-Zeeuwse kuststreek. Het voorkomen in het binnenland is spaarzaam, met de meeste broedparen in Drenthe, Twente, de Achterhoek en Limburg. De dichtheden per atlasblok zijn laag: in driekwart van de blokken met waarschijnlijke of zekere broedgevallen wordt geschat dat er minder dan vier paren aanwezig zijn. Verreweg de meeste Kleine Barmsijzen komen tot broeden op de Waddeneilanden en in de duinen van Noord-Holland. In vijf blokken hier werden 26-100 paren aangetroffen; vermoedelijk benaderden de aantallen eerder de onder- dan de bovengrens. Toch komen hoge aantallen incidenteel wel voor. Zo leverde een broedvogelinventarisatie (weliswaar in 2001, net na de atlasperiode) op Schiermonnikoog 70 paren op in een gebied dat ongeveer één atlasblok beslaat (Klemann 2001). In zulke goede gebieden komt de Kleine Barmsijs kolo­nie­achtig tot broeden. In het binnenland komen de meeste paren tot broeden in steden en dorpen langs de oostgrens, aansluitend op een lokaal vrij omvangrijk stedelijk voorkomen in Noordrijn-Westfalen. De overige paren zijn vooral aangetroffen in heide- en bosgebieden.

Veranderingen

De nieuwe verspreidingskaart toont alleen voor het Wad­den­gebied weinig veranderingen ten opzichte van de jaren zeventig. Elders zijn de veranderingen groter, met een forse reductie in de Hollands-Zeeuwse duinen, en een nagenoeg verdwijnen uit Drenthe en de Zuidwest-Veluwe. Daar staan alleen wat nieuwe vestigingen in Twente, de Achterhoek en Limburg tegenover. Getalsmatig is er meer gebeurd in de afgelopen decennia dan uit de veranderingskaart blijkt. Tijdens de vorige atlasperiode in 1973-77 zat de Kleine Barmsijs in de lift. Nadat eerst de Waddeneilanden en daarna de Hollands-Zeeuwse duinstrook waren gekoloniseerd, leek ook het binnenland aan de beurt te zijn. Verspreiding en aantallen piekten aan het begin van de jaren tachtig, toen de Nederlandse populatie 675-1190 paren zal hebben bedragen. Kort daarna zette echter een snelle en krachtige afname in, zodat de populatie in de eerste helft van de jaren negentig gereduceerd was tot 200-240 paren (Bijlsma et al. 2001). In het duingebied (meeste steekproefgebieden in Noord- en Zuid-Holland) namen de aantallen in 1984-94 af met 97% (Verstrael & van Dijk 1997). Ook op de Waddeneilanden, waar de verspreiding niet veel veranderde, is deze terugloop geconstateerd, zoals in de Staatsbossen op Texel (afname met 58% in 1983-92; Dijksen 1996). De vestiging en aanvankelijke expansie in Nederland werden voorafgegaan door een sterke toename op de Britse Eilanden, toegeschreven aan grootschalige aanplant van (naald)­bos in heide- en veengebieden (Hagemeijer & Blair 1997). De uitbreiding over Nederland leek vooral plaats te vinden na influxen zoals in 1959, 1964 en 1972 (Teixeira 1979), al waren daarbij (vooral) ook Grote Barmsijzen betrokken. Vanaf medio jaren zeventig begon de stand op de Britse Eilanden sterk terug te lopen, een proces dat in de jaren tachtig niet stopte. De geleidelijke verdwijning van berken (belangrijke voedsel­bron) uit veel bossen als gevolg van bossuccessie zou hiervan de hoofdoorzaak zijn; ook nam het areaal jong naaldhout (nesthabitat) af (Gibbons et al. 1993). Omdat de Nederlandse populatieontwikkeling de Britse volgt, met enige vertraging, is het aannemelijk dat onze populatie afhankelijk is van aan­voer vanaf de Britse Eilanden. De meer recente, overigens zeer bescheiden, toename in Oost-Nederland is een voortvloeisel van de nog niet stagnerende expansie van de Midden-Europese populatie (Bauer & Berthold 1996, Hustings 1996b).

Aantallen

De schattingen per atlasblok in 1998-2000 komen uit op bijna 300 paren, maar het is aannemelijk dat dit geflatteerd is doordat hier en daar trekkers zijn meegeteld en alleen de hoogste schattingen uit de driejaarlijkse periode zijn opgeteld. Een schatting van 200-300 paren is daarom beter, hoewel Bijlsma et al. (2001) de landelijke stand in 1996-99 met 120-210 paren nog wat lager inschatten. In 1973-77, de vorige atlasperiode, ging het om 431-628 paren.

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's