Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis
In de winter trekken groenlingen graag in kleine groepen met elkaar op. Groenlingen zijn in groepsverband behoorlijk agressief, niet alleen tegen elkaar, maar ook tegen andere vogels. Druk wapperend met hun vleugels en met opengesperde snavels voeren ze vaak schijnaanvallen uit tijdens het gezamenlijk eten. Hierbij lijken de vrouwen meer te vertellen te hebben dan de mannen. Groenlingen zijn vaak heel trouw aan hun overwinteringsgebied. De Nederlandse groenlingen trekken weg maar worden aangevuld met Scandinavische vogels. Deze overwinterende vogels keren vaak ieder jaar weer terug naar dezelfde plek: bijvoorbeeld in het rozenbottel perkje in de wijk.

14,5 cm. Gedrongen, groene (mannetje) of bruingroene (vrouwtje) vink met vrij zware, bleke, kegelvormige snavel. Mannetje met ongestreepte, groene mantel, grijze tertials, donkere slagpennen en staart met veel geel. Vrouwtje met licht gestreepte bruine mantel en minder gele vleugels en staart. In vlucht zijn gele vleugelstreep en gele staartbasis goed zichtbaar. Juveniel bruin met weinig groen en sterk gestreept. Meestal in troepen, vaak met andere vinken. Golvende vlucht. Mannetje heeft cirkelende zangvlucht met opvallend langzame vleugelslagen.
Broedt in Europa, het Midden-Oosten en Noord-Afrika. In Nederland zeer talrijke broedvogel, jaarrond aanwezig, doortrekker en wintergast in zeer groot aantal.
Halfopen landschappen met veel bosjes en bomen, nooit in dicht bos. Veel in parken, grote tuinen, kwekerijen. Buiten broedtijd ook op akkers en braakliggende grond.
Voedsel
Voornamelijk zaden, knoppen en vruchten, in de broedtijd ook insecten.
Eieren
Aantal eieren in legsel meestal 4-6, zelden 3-8. Buikig, glad en glanzend. Zeer lichtblauw. Bezet met fijne donker purperen of zwartachtige spikkels en kleine vlekjes en met lichtere lilaroze tekens. Tekens zijn betrekkelijk schaars en vaak geconcentreerd in een zone rond de stompe pool. Formaat 20,6 x 14,8 mm.
Roep een heldere triller 'didididi', ook een nasaal 'djuwie'. Zang een serie van roepen, onderbroeken door een lang 'tswèèèèh'.


Een groenling is een stevig gebouwde vogel met een krachtige kegelvormige snavel. Je kunt hem gemakkelijk herkennen aan zijn kleur en bouw. Het overwegend olijfgroene verenkleed valt op en is bij mannetjes zelfs iets meer geel gekleurd. Deze zaadeter foerageert op de grond en in struiken waar ze zaden, knoppen en bessen eten. In de winter vormen deze sociale vogels grote groepen en zijn ze te vinden in het agrarische gebied. Ze hebben een voorkeur voor open plekken met struiken en bomen. In het broedseizoen zijn ze meer territoriaal en schuwen ze het conflict niet, niet met soortgenoten en niet met andere vogelsoorten.

Het mannetje is overwegend olijf- of mosgroen (1) met een bruine zweem gekleurd en heeft volledig grijze tertials* en grote dekveren (2). De voorrand (3) van de vleugel, de buitenste staartveren (3) en handpennen (3) zijn felgeel gekleurd. De groenling heeft een grote kegelvormige snavel (4) die uitermate geschikt is om zaden de kraken. Door de zaden tussen de twee snavelhelften rond te draaien, schilt de groenling het harde omhulsel eraf.
* Tertials zijn de 3 tot 5 armpennen die het dichtst aan de kant van het lichaam liggen. De vorm lijkt op die van een blad met een punt aan de top. Als de vleugel is gesloten, bedekken deze tertials de arm- en handpennen eronder tegen slijtage door het lopen in gras (bijv. kwikstaarten, hun tertials zijn zelfs extra lang) en verkleuring door de zon.

Vrouwtjes zijn wat minder uitbundig geel of groengeel gekleurd dan mannetjes. De veren zijn meer bruingrijs gekleurd met iets lichter gekleurde toppen. Op de borst zijn wat diffuse donkere banen te zien. De vrouwtjes hebben een opvallende brede diffuse baardstreep vergeleken bij een adulte man.

Bij een jonge groenling zijn veel onderdelen nog sterk gestreept. Dat zie je bij meerdere juveniele vogelsoorten. De snavel is nog donker en nog niet zo krachtig en kegelvormig uitgegroeid als bij een adulte groenling. De heldergele accenten zijn al wel aanwezig maar moeten net als de rest van het verenkleed nog helemaal naar het verenkleed van een adulte vogel uitkleuren.

Groenlingen laten een seizoensgebonden gedrag zien, Zo zijn ze in het voorjaar en in het broedseizoen vooral in paren te zien en zijn ze vanaf de herfst vooral in grotere groepen te zien. Als de winters streng genoeg zijn kun je de groenlingen ook in tuinen zien waar ze een graantje van de voedertafel meepikken. Ze hebben een voorkeur voor zwarte zonnebloempitten. Het zijn levendige vogels die een vrolijke kwetterende zang hebben die vooral tijden de balts meer “uitgesproken” klinkt om rivalen en potentiele partners te beïnvloeden. Mannetjes gedragen zich tijdens de baltsvlucht opvallend waarbij ze hun gele vleugelstrepen goed laten zien en in een golvende vlucht zingen om de vrouwtjes te imponeren.

Een groenling lijkt door zijn kleur enigszins op een sijs. De sijs en met name het mannetje is contrastrijker geel-zwart van kleur dan een groenling. De sijs is net als de groenling een vinkensoort die met name in in de winter in grote aantallen naar ons land komt om hier te overwinteren. Een mannetjes sijs is opvallend geelgroen gekleurd met zwarte kruin, kin en vleugelstrepen. Het vrouwtje is meer groengeel en minder opvallend van kleur dan het mannetje. Met hun spitse kegelvormige snavel kunnen sijzen de zaden uit sparrenkegels, elzenproppen en berkenkatjes peuteren.
