Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Europese Kanarie

Serinus serinus

De Europese Kanarie is de kleinste vertegenwoordiger van de vinkenfamilie in Europa, maar doet er alles aan om toch voldoende aandacht te krijgen. Het is een actieve en opvallende soort waarvan de prachtig gele mannetjes vaak open en bloot vanaf een zangpost een razendsnelle stroom knarsende en fluitende geluidjes laten horen.

Europese Kanarie
Fotograaf: Gejo Wassink

Verspreiding

 

De Europese Kanarie kent in Nederland een zeer beperkte verspreiding: de soort is in 5% van de atlasblokken als waarschijnlijke of zekere broedvogel aangetroffen. Binnen het beperkte verspreidingsgebied is het ook nog eens een zeldzame verschijning, want in driekwart van de bezette blokken worden slechts 1-3 paren opgegeven. Vanwege de opvallende zang en baltsvlucht is de verspreiding naar verwachting vrij volledig in kaart gebracht, al is de soort misschien in enkele blokken gemist. De Europese Kanarie broedt in Nederland immers vrijwel uitsluitend in stedelijk gebied, een door veel vogelaars stiefmoederlijk met aandacht bedeelde habitat. Soli­taire paren kunnen ook worden gemist door heimelijk gedrag tussen zangpieken in. Daar staat tegenover dat zingende doortrekkers tot in mei voor verwarring met broedvogels kunnen zorgen. Een deel van de ca. 30 blokken met mogelijke broedgevallen zal trekkers betreffen.

Zuid-Limburg vormt het grootste bolwerk, met Maastricht, Valkenburg en Meerssen als belangrijkste kernen. Hier werden in 1995 minstens 41, 46 resp. 20 paren geteld (Lemmens 1996), aantallen die in de atlasperiode op vergelijkbaar niveau lagen. De Europese Kanarie ontbreekt overigens ook in Zuid-Limburg soms in ogenschijnlijk geschikte dorpen, zoals in het centrale deel van het zuidelijk Mergelland en hier en daar in de Mijnstreek. In Midden- en Noord-Limburg is de soort dun gezaaid, met uitzondering van de kernen Steijl-Tegelen en Broekhuizenvorst, waar in de beste jaren 5-10 paren voorkomen. Buiten Limburg zijn de Zuidoost-Achterhoek (Winterswijk-Aalten-Lichtenvoorde) en oostelijk Twente met ieder 20-30 paren broedgebieden van importantie. Daarnaast zijn tijdens de atlasperiode enkele geïsoleerde paren elders gevonden, zoals op Oost-Vlieland, bij Den Helder, Amstelveen, in Het Gooi, het Ketelmeer, in Nijmegen en in oostelijk Noord-Brabant.

Van origine een bewoner van bosranden en boomgroepen, heeft de Europese Kanarie overal in zijn verspreidingsgebied met succes bebouwde gebieden bezet. In Nederland gaat de voorkeur uit naar parken, grote tuinen en oude begraafplaatsen, zowel in stadscentra als groene buitenwijken. De hoogste aantallen worden behaald bij een combinatie van geschikte zangposten en nestgelegenheid (coniferen) met nabije voedselgebieden (braakliggende gronden, volkstuinen). In optimale situaties broeden 2-5 paren in semi-koloniaal verband, zoals het geval is in diverse parken, landgoederen en kasteel- en kloostertuinen in Maastricht, Valkenburg en Houthem. De weinige paren in het landelijk gebied huizen veelal in een riante villatuin of op een coniferenrijk erf.

Veranderingen

Ten opzichte van 1973-77 bleef het percentage bezette blokken min of meer gelijk maar waren er fikse verschuivingen in het verspreidingsbeeld, hetgeen het erratische karakter van de soort benadrukt. Verliezen werden geleden langs de zuidrand van de Veluwe, waar de tamelijk aaneengesloten verspreiding van de jaren zeventig afgebrokkeld is en van de tientallen paren amper meer iets over is. In Zuid-Kennemerland (9 paren in 1976; Geelhoed et al.1998) is de soort blijkbaar weggevaagd. Let daarnaast op het uitdoven van blokken in het noordoosten van het land, de Noord-Hollandse duinstreek en het midden van Noord-Brabant.

Vooral in Twente en de Achterhoek zijn veel nieuw bezette blokken te vinden. Vlak na de eerste atlasperiode werden in de oostelijke Achterhoek al wat hogere aantallen opgemerkt, maar pas vanaf 1993 is de soort hier beduidend toegenomen (Bijlsma et al. 2001). De nieuw bezette blokken in oostelijk Midden-Limburg zijn hoogstwaarschijnlijk deels een gevolg van intensiever onderzoek ten opzichte van de jaren zeventig. In de noordelijke helft van Limburg houden verlies en winst elkaar in evenwicht. In het kerngebied Zuid-Limburg is de verspreiding amper gewijzigd, wat niet wil zeggen dat er geen lokale veranderingen zouden zijn. In en rond Heerlen is het aantal paren gekelderd van maximaal 40 in 1975-78 tot 5 in 1996 (Hustings 1979, Provincie Limburg ongepubl.), en mogelijk nog minder tijdens de atlasperiode. De bolwerken Maastricht en Valkenburg bleven constanter, maar dit laat onverlet dat de jaarlijkse schommelingen ook hier aanzienlijk kunnen zijn. Omtrent de oorzaken van deze plotselinge fluctuaties tasten we in het duister, mede gezien de vele regio­nale of zelfs lokale nuances.

Al met al nam de soort toe in de loop van de jaren zeventig, culminerend in 450-550 paren in 1978-79. In de jaren tachtig maakte de Europese Kanarie slechte tijden door (100-150 paren in 1983-85), een fenomeen dat zich ook in België en Duitsland manifesteerde (van der Elst 1990, Bauer & Berthold 1996). De jaren negentig lieten weer een beduidende stijging van de landelijke populatie zien, met name in Limburg en de Zuidoost-Achterhoek (Bijlsma et al. 2001, J. van der Coelen ongepubl.).

Aantallen

In 1998-2000 waren er naar schatting 400-450 paren in Nederland, waarvan zo’n 85% in Limburg.

 

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's