Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Buidelmees

Remiz pendulinus

De buidelmees dankt zijn naam aan de prachtig gevormde buidelvormige nesten. Ze broeden met name in het zuidoosten van Europa, maar vanaf 1980 ook in Nederland. Met 250 paar in de negentiger jaren leek de buidelmees zich ook in Nederland te gaan vestigen, maar vanaf 2000 nemen de aantallen weer af en tegenwoordig gaat het nog maar om enkele broedparen.

Buidelmees
Fotograaf: Johan Horneman

Verspreiding

Buidelmezen hebben zich in Europa, vanuit een oostelijke bakermat, in enkele golven westwaarts uitgebreid. Ze broeden tegenwoordig van Zuid-Zweden tot in Zuid-Spanje, met echter opvallende hiaten zoals in het grootste deel van Frankrijk. Tijdens een expansiegolf vanaf medio jaren zestig (Flade et al. 1986) werd ook Nederland bereikt, waar sinds 1981 jaarlijks gebroed wordt. Onze broedvogels overwinteren hoofdzakelijk aan de Franse Atlantische kust bij de monding van de Gironde. De insectivore Buidelmees bewoont in Nederland gradiënten van rietland naar ooibos, maar ook opslag van wilg en berk langs plassen of op opspuitterreinen. Van april tot in juli gaan de vogels opeenvolgende partnerschappen aan. Broedsels worden als regel door één oudervogel grootgebracht. Het mannetje start de bouw van de nestbuidel en lokt een vrouwtje aan. Samen bouwen ze het nest af en tijdens de leg verkast het mannetje om zijn kunst elders te herhalen. Met vorderend seizoen scheept ook het vrouwtje wel ‘haar’ man met nest en legsel op (Schönfeld 1994).

Voorkomen

De Buidelmees goed in kaart brengen is niet altijd gemakkelijk. In geschikte habitat kunnen gelijktijdig bezette nesten op slechts 70-200 m van elkaar hangen. Omdat ze qua broedcyclus zelden synchroon lopen en alleen in de vroege bouwfase opvallen, is de kans op ondertelling bij weinig bezoeken groot, al hangt dat af van wat men wil tellen (‘territoria’ of nesten). Afhankelijk van het beschikbare nestmateriaal kan de soort vroeg nestelen (lisdodde, hop, brandnetel, riet) of juist laat (pluis van wilg, populier). Dit heeft in bijvoorbeeld de Ooijpolder bij Nijmegen tot gevolg dat aanvankelijk vooral de binnendijkse moerassen bezet raken, en pas later in het seizoen de uiterwaarden. Ook de grote mobiliteit vertroebelt het verspreidingsonderzoek. De verspreidingskaart zal vermoedelijk het dichtst de situatie in 1998 benaderen, binnen de atlasperiode het beste buidelmeesjaar. Hoewel zekere of waarschijnlijke broedvogel in bijna 140 atlasblokken (8%), is de Buidelmees in slechts enkele regio’s min of meer algemeen (meer dan vier territoria per blok). In de clusters rond Zwarte Meer en Gelderse Poort komt aaneengesloten verdrogend rietland, omzoomd met wilgen­struweel, over aanzienlijke oppervlakte en/of lengte voor (Zwarte Meer meer dan 600 ha rietmoeras over 16 km lengte; Gelderse Poort lintvormig degenererend rietmoeras over 24 km aan strangoevers, alsook kleiputcomplexen). De Zwarte-Meer populatie heeft uitlopers tot in het Vollenhover- en Drontermeer. Ook eilandjes (Ketelmeer!) zijn bezet. In de derde belangrijke regio, Noordoost-Friesland, komen van de Groote Wielen tot aan de Oude Venen geschikte petgat-complexen en kleinere meren voor. Omdat dit nergens over grote oppervlakte optimale habitat vormt, blijft de dichtheid er vrij laag. Laagveenmoeras is kennelijk niet favoriet, gelet op de opvallend lege Weerribben in Noordwest-Overijssel en de Utrechts-Hollandse Vechtplassen. De dominante boomsoort hier is zwarte els, in associatie met grauwe en geoorde wilg; de voor nestbouw geprefereerde schietwilg is er schaars. Maar schietwilgen op zich bieden nog geen garantie, zoals het spaarzame voorkomen in de Biesbosch toont. Dit gebied is mogelijk inmiddels te zeer verbost. Voor het relatief zuinige voorkomen in de Oostvaardersplassen bestaat geen sluitende verklaring. Het promiscue paargedrag van Buidelmezen komt waarschijnlijk het best tot zijn recht indien populaties van 5-15 ‘paren’ dicht bijeen kunnen nestelen. Wanneer geschikte habitat alleen over kleine oppervlakte en sterk versnipperd voorkomt, vermindert dit waarschijnlijk de kans dat Buidel­mezen – hun enorme dispersievermogen ten spijt – een gebied ontdekken. Misschien is dit de verklaring waarom het voorkomen in ogenschijnlijk geschikte habitats in het centrale en westelijke rivierengebied wat op een loterij lijkt. Hetzelfde geldt voor vele kleine moerassen op de Waddeneilanden, langs de zuidwestelijke Friese meren, in Holland, Zeeland, de Peelstreek en enkele Noord-Brabantse en Drentse beekdalen.

Veranderingen

In 1973-77 broedde de soort nog niet jaarlijks in ons land. Begin jaren tachtig verscheen de Buidelmees in Friesland, Groningen, Flevoland, langs de Randmeren en incidenteel elders. Midden jaren tachtig volgde het oostelijk rivieren­gebied en eind jaren tachtig rukte de soort zowel bij Diemen-Amsterdam als bij Dordrecht op tot in het westen van het land (Bekhuis et al. 1993). De rond 1990 verwachte grote uitbreiding in Zuid-Friesland en de Biesbosch heeft nog altijd niet plaatsgevonden en de geconstateerde leemtes in laagveenmoerassen met elzendominantie zijn nog altijd actueel. Vergeleken met de jaren tachtig hebben vooral de kerngebieden bij Groningen en in de Oostvaardersplassen aan belang ingeboet. Geïsoleerde vestigingen elders bleken vaak kortstondig, zowel langs de rivieren (Hurwenen, Engelen, Thorn) als daarbuiten (zuidelijk Peelgebied, beekdalen in Kempen en Midden-Brabant). Daarentegen zijn de uitlopers van de Flevo- en Randmeerpopulatie naar Diemen, het Westelijk Havengebied van Amsterdam (Haarlemmervaart) en het IJsseldal, nog steeds bezet. De sterke jaareffecten die worden vastgesteld, verraden de instabiele status die een soort aan de rand van zijn broed­areaal vaak heeft. Kernen kunnen van het ene op het andere jaar ontstaan en uitdoven, zonder duidelijke oorzaak (Schepers 1992, Schepers & Verstraeten 1991). Recente ontwikkelingen duiden op een dalende trend, zoals langs de Limburgse Maas: van 11-22 territoria medio jaren negentig naar 1-4 in 1998-2000 (G. Kurstjens pers. med.). Rond Groningen beleefde de Buidelmees eveneens een terugval, terwijl de aantallen rond het Ketelmeer zich in 1999-2000 duidelijk beneden het niveau van 1997-98 bevonden (S. Deuzeman & F. de Roder pers. med.). Het Rijnstrangengebied telde in 1994-97 gemiddeld 30 territoria, in 1998-2000 resp. 21, 19 en 9 (Faunawerkgroep Gelderse Poort 2002).

Aantallen

Naar schatting fluctueerde het aantal territoria in 1998-2000 van 140-210, waarbij de ondergrens betrekking heeft op 2000. Onduidelijk blijft om hoeveel individuen het gaat, daarvoor is de broedbiologie te ingewikkeld en verplaatsen individuen zich teveel gedurende het lange broedseizoen. In 1997 bevond de populatie zich nog dichtbij het piekniveau dat rond 1991-93 werd geregistreerd (200-250 territoria).

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's