Onderdeel van Pixfactory

Op werkdagen voor 15.00 besteld, morgen in huis

Boomkruiper

Certhia brachydactyla

Boomkruipers zoeken met hun lange gebogen snaveltjes in spleetjes naar spinnen en insecten. Dat doen ze op stenen muren, maar meestal zie je ze toch op de grove bast van bomen. Ze klimmen dan als een muisje in een spiraal langs de stam omhoog. Zodra ze boven zijn aangekomen vliegen ze naar de voet van een volgende boom om daar weer naar boven te kruipen.

Boomkruiper op boom
Fotograaf: Michel Geven

Verspreiding

 

De Boomkruiper is in 85% van de atlasblokken vastgesteld en komt tegenwoordig in vrijwel heel Nederland voor. In bosrijke gebieden, zoals op de oostelijke en zuidelijke zandgronden en in het Zuid-Limburgse Heuvelland, zijn nagenoeg alle blokken bezet. In de laaggelegen delen van Nederland zijn her en der leemtes in het verspreidingsbeeld te zien, zoals in de zeer open kustgebieden van Groningen en Friesland en in het Deltagebied. Ook de Waddeneilanden zijn slechts mager bezet, terwijl Boomkruipers in het binnenland plaatselijk ontbreken in de open delen van Noord- en Zuid-Holland en Flevoland. De relatieve dichtheidskaart toont een gedetailleerder beeld. De hoogste dichtheden zijn te vinden in de bos- en boomrijke gebieden op de hogere zandgronden, in enkele verstedelijkte regio’s (parken en tuinen), her en der langs de binnen­duinrand en in de momenteel steeds meer verboste Biesbosch. De voorkeur voor oudere loofbossen komt op de kaart, vanwege de talrijkheid in alle bosrijke streken, maar gedeeltelijk naar voren. Oudere bomen hebben vaak een grotere stamomtrek en een meer reliëfrijke bast dan jonge bomen, en daarmee een groter voedselaanbod. De Boomkruiper prefereert daarom oudere eiken- en eikenbeukenbossen (Glutz von Blotzheim & Bauer 1993). Tevens is de soort meer een loofhoutspecialist dan de Taigaboomkruiper (Schnebel 1972). Geringe tot zeer geringe dichtheden komen voor op de Waddeneilanden en over grote delen van Laag-Nederland. In Oostelijk en Zuidelijk Flevoland zijn de bossen bezet maar ontbreekt de soort in het meest open agrarische landschap. Het voorkomen buiten de broedtijd is vrijwel identiek aan dat in de broedtijd (SOVON 1987), al lijken marginale gebieden, zoals delen van Noord-Groningen, in de winter soms verlaten te worden (van den Brink et al. 1992).

Veranderingen

Vergeleken met de jaren zeventig is het verspreidingsareaal van de Boomkruiper met 20% verruimd. Deze uitbreiding vond vooral plaats in de lage, open delen van ons land. Ook op de Waddeneilanden, in Oost-Groningen, Zuidwest-Friesland, Flevoland, Noord- en Zuid-Holland en Zeeland zijn nu volop Boomkruipers te zien en te horen. Overigens zijn het diezelfde open gebieden waar de weinige blokken liggen waar de soort in vergelijking met de jaren zeventig niet meer is vastgesteld, met mogelijk enige concentratie in Zeeuws-Vlaanderen. Tegelijkertijd met deze areaaluitbreiding zijn ook de aantallen toegenomen. In de voorkeurshabitat, loofbos, is de index tussen begin jaren zeventig en begin jaren negentig verdubbeld, waarna de situatie min of meer stabiliseerde. Duinen en agrarisch gebied laten vanaf het begin van de jaren tachtig hetzelfde beeld zien. Ook de winteraantallen vertonen een stijging (Boele et al. 1998). In de open gebieden van Nederland valt de uitbreiding samen met een toename van het aantal oudere bomen, zowel in de vorm van bos(jes) als van wegbeplanting(en). De toename van de Boomkruiper hier vindt een parallel in die van de Grote Bonte Specht. Echter, ook in de vanouds bekende bosrijke bolwerken namen de aantallen sterk toe. Zo verdubbelden ze in Drenthe tussen 1984 en 1994 (van den Brink et al. 1996) en verdrievoudigden ze tussen 1963 en 1998 op het landgoed Oud-Amelisweerd bij Utrecht (van Scharenburg & de Bruijn 1998). Naast allerlei andere, onbekende redenen zal het ouder worden van de reeds aanwezige bossen – en de daarmee gepaard gaande toename van voedselaanbod en nestgelegenheid – ongetwijfeld een rol spelen. Een verdere populatie-expansie naar de minder dichtbevolkte gebieden in Laag-Nederland is zeker niet uit te sluiten. De aantalsontwikkeling gaat gepaard met fluctuaties. Opvallend zijn de lagere aantallen na strenge winters, vooral in agrarisch gebied. Een kleine vogel als de Boomkruiper (9 gram) verliest bij lage temperaturen relatief veel warmte en moet dan vrijwel de gehele dag foerageren. Het is dan ook niet voor niets dat onder koude omstandigheden gezamenlijk wordt geslapen om het warmteverlies zoveel mogelijk te beperken (Löhrl 1955). Daarnaast speelt het voorkomen van ijzel en veel neerslag een rol. Beijzelde stammen maken het foerageren onmogelijk, terwijl continu natte stammen de isolatie van het verenpak verminderen, met afkoeling en sterfte als gevolg. Mogelijk spelen ook koele zomers en een daarmee samenhangende geringere jongenoverleving een rol bij de aantalsfluctuaties (Peach et al. 1995, van Scharenburg & de Bruijn 1998). Door de relatief grote legsels (gemiddeld 5,6 eieren) en de mogelijkheid om twee broedsels per jaar groot te brengen, herstellen de aantallen zich onder normale omstandigheden weer snel.

Aantallen

Medio jaren zeventig werd het aantal broedparen op 30.000-50.000 geschat, begin jaren tachtig op 60.000-100.000. Gelet op het atlasmateriaal en de dichtheden in bmp-proefvlakken (uitkomend op bijna 100.000 paren) is een schatting van 80.000-120.000 paren in 1998-2000 aannemelijk.

 

Laatste waarnemingen

Geluidsopnames

Foto's

Zo herken je de boomkruiper

Kenmerken

De boomkruiper is een kleine vogel (12,5-14 cm) met bruinwit gevlekte bovendelen, waarmee hij perfect gecamoufleerd is op de schors van een boom. De keel en onderzijde zijn roomwit (1) met op de flanken een duidelijke bruine tint (2). Wat verder opvalt zijn de grote lichtbruine pootjes met een relatief kort achternageltje (3). De vleugelstreepjes zijn gelijkmatig getrapt (4) en hebben duidelijke helderwitte toppennen (5). Met zijn relatief lange fijngebogen snaveltje zoekt de boomkruiper naar spinnetjes en andere insecten. Net als een specht hebben boomkruipers ook een stugge, gepunte staart (6). Deze stijve staart dient als steun bij het klimmen tegen stammen omhoog. Mannetje en vrouwtje boomkruiper zijn vrijwel identiek.

Kenmerkend gedrag

Boomkruipers foerageren altijd langs stammen en/of dikke takken. Wat hierbij opvalt is dat ze altijd spiraalsgewijs om de stam omhoog kruipen. Eenmaal omhoog vliegt hij omlaag naar de voet van een andere boom om dit trucje te herhalen. De boomkruiper bouwt een verborgen nestje in holtes en spleten van bomen maar ook wel achter loszittend schors.

Boomkruiper
Boomkruiper bij nestholte. Fotograaf: Henk Dikkers

Gelijkende soorten

De boomkruiper lijkt op de taigaboomkruiper, waarvan de Midden-Europese ondersoort macrodactyla (ofwel de kortsnavelboomkruiper) in Zuidoost-Nederland broedt. De zichtbare verschillen zijn allemaal vrij subtiel en vaak lastig zichtbaar. Over de verschillen met de taiga- en kortsnavelboomkruiper zal uitgebreid worden ingaan bij de betreffende soorten, maar hier alvast een eerste herkenningstip: de boomkruiper heeft een wat langere snavel en een kortere achternagel.

Wist je dat?

Een boomkruiper is gespecialiseerd in het zoeken naar kruipende insecten die in spleten en holtes leven en dus niet op vliegende insecten. Veel vogelsoorten die afhankelijk zijn van vliegende insecten trekken in het najaar en winter weg omdat die ’s winters nauwelijks beschikbaar zijn. De boomkruiper kan echter jaarrond in Nederland aan zijn kostje komen.