Een van de meest fascinerende fenomenen en een van de meest massale verplaatsingen van dieren op aarde: vogeltrek. Elk voorjaar en najaar trekken er miljoenen vogels door Nederland en België langs de zogenoemde ‘East Atlantic Flyway’. Veel vogelaars checken voor vertrek goed de actuele weersvoorspellingen. Zo kan je een idee schetsen op welke vogels je extra alert moet zijn in het veld. Maar, waar let je dan op als je het weerbericht checkt?

Om te beginnen
Houd altijd rekening met de tijd van het jaar. Veel vogelsoorten zijn expliciet verbonden aan één bepaalde periode, die soms maar enkele weken duurt. Echter kunnen de aantallen sterk variëren afhankelijk van wind en weer. De verschillende mogelijkheden heb ik opgedeeld in ‘voorjaar’ en ‘najaar’, maar we beginnen met een aantal situaties die vrijwel altijd toepasbaar zijn.
- Wind in de rug (en weinig bewolking): trekvogels vliegen hoog en snel door.
- Harde tegenwind of regen: Vogels gaan aan de grond.
- Bij een spontane weersomslag worden vogels verrast en gaan gedwongen naar de grond. Zo kunnen ze op gekke plekken belanden.
- Oostenwind zorgt voor opstuwing van vogeltrek aan de kust in voor- en najaar. Daarnaast kan het dwaalgasten uit oost-Europa en Siberië meebrengen. Een typisch voorbeeld is een influx roodpootvalken (eind augustus tot half september) met oostenwind.
- Zuidwestenwind: Dit is de overheersende windrichting in Nederland. Deze windrichting heeft geen duidelijke invloed, buiten dat het rugwind (voorjaar) of tegenwind (najaar) kan veroorzaken.

Voorjaar
- Noordenwind: Zorgt in het voorjaar voor veel steltlopers aan de grond.
- Noordoostenwind: In het voorjaar kan dit massale trek van (moeras)sterns en dwergmeeuwen veroorzaken. Veel steltlopers komen naar de grond en zijn daardoor goed zichtbaar.
- Zuidoost: Gestuwde trek met hoge aantallen op voorjaarstrektelposten (Hoek van de bant, Kamperhoek, Breskens, Eemshaven). Wanneer zuidoostenwind gepaard gaat met goed weer worden er grote aantallen kraanvogels gezien in februari en maart.
- Noordwestenwind (met wisselvallig weer) zorgt in het voorjaar voor zeegebonden sterns en steltlopers in het binnenland. Een typisch voorbeeld hiervan is de noordse stern.

Zomer
In de zomermaanden is vooral een zuidenwind interessant. Omdat soorten die zich dan in Zuid-Europa bevinden met de stroming mee naar het noorden geblazen worden. Denk hierbij aan groepen vale gieren in juni. Daarnaast kan het in augustus een toename aan graszangers opleveren. Oostelijke windrichtingen kunnen daarnaast ook zeldzame arenden naar het land blazen.

Najaar
Windrichting is in geen enkel jaargetijde zo belangrijk als in het najaar. Een andere windrichting kan het verschil maken tussen een dag vol zeevogels, bosjes vol zangvogels of een saaie herfstdag. Harde wind kan gemakkelijk de jonge, onervaren vogels uit koers blazen. Daardoor brengt elke week weer nieuwe verassingen met zich mee.
- Noordenwind: Zorgt eind augustus voor massaal vertrek van purperreigers uit de broedgebieden met goed weer. Vooral ’s avonds in de Biesbosch of Alblasserwaard kan dit een groot spektakel zijn.
- Noordoostenwind (met goed weer): Zorgt voor massaal vertrek van zangvogels vanuit Scandinavië, dat betekent veel vogels in Nederland de volgende dag. Als het aan het eind van de nacht regent kan dit een ‘fall’ veroorzaken, daarbij komen de vogels noodgedwongen naar de grond. Daarnaast zijn er in het oosten van het land hogere aantallen kraanvogels, rode wouwen en wespendieven te zien.
- Oostenwind: Zorgt voor stuwing van vogeltrek aan de kust. Dit kan spectaculaire aantallen van goed zichtbare trek opleveren. De hoogste aantallen koperwieken en kramsvogels werden gezien met oost- tot zuidoostenwind.
- Zuidenwind: Vale gierzwaluwen eind oktober. Daarnaast zorgt het voor goed zichtbare (laagvliegende) trek, echter zijn dit meestal geen hoge aantallen door de tegenwind.
- Westenwind: Zeevogels, vaak hogere aantallen pijlstormvogels dan met noordwest.
- Noordwestenwind: Zeevogels. Hoe harder de wind, hoe spectaculairder. Zoek bekende zeetrektelposten op (Westkapelle, Camperduin, Scheveningen, Maasvlakte). Maar zelfs in het binnenland kunnen de gekste dingen opduiken.

Andere factoren
Naast weer en wind zijn er ook andere factoren die een tijdelijke toename van een bepaalde soort kunnen veroorzaken. Hieronder enkele voorbeelden
- Droogte in Zuid-Europa kan in het voorjaar veel watervogels naar het noorden dwingen. We merken in Nederland een toename aan bijvoorbeeld steltkluten, zwarte ibissen en kleinst waterhoen als gevolg hiervan.
- Lemmingenpiek: Elke 3 of 4 jaar kent de lemmingenstand in Scandinavië een piek. Soorten als kleinste jager en ruigpootbuizerd zijn ’s zomers vrijwel volledig afhankelijk van lemmingen. In deze piekjaren komen er dus ook meer jongen groot.
- Voedseltekort in Scandinavië is een drijfveer voor pestvogels, barmsijzen of kruisbekken om af te zakken naar het zuiden. Zodra er in Nederland wél genoeg voedsel te vinden is blijven de vogels hier hangen. Een zogenoemde invasie.
- Bij voedseltekort op de Noordzee kunnen we hogere aantallen alken en/of zeekoeten in de kustwateren verwachten, omdat de vogels op andere plekken opzoek gaan naar eten.

Eropuit!
Nu je weet hoe je je huiswerk moet aanpakken, zal je volgende vogelavontuur een extra dimensie krijgen. Check het weerbericht goed en kijk op welke vogels je extra moet letten. Maar vooral, laat je niet ontmoedigen door slechte weersvoorspellingen. De grootste verassingen kom je tegen op momenten wanneer je het niet verwacht!















Eén reactie
Heel leerzaam !! Ben wel eens bij teltrekposten geweest o. a in Breskens , maar het is veel uurtje zitten en kijken om dat te leren lijkt me. Al die vliegbeelden , voor een relatief startende vogelaar lastig.
Maar dit artikel is alweer erg mooi en compact om te lezen. Dank daarvoor.