‘Een ijsvogel zien, is leven in het hier en nu – je moet het moment pakken wanneer het zich voordoet.’
In De ijsvogel vertellen Jean-Pierre Geelen en Saskia van Loenen vol enthousiasme over hun fascinatie met deze blauwe vogel met oranje buik. Over hoe ze na die eerste ontmoeting verkocht waren. Over hoe ze bij hun zoektochten en latere ontmoetingen steeds meer in vervoering raken. En wat ze via onderzoekers en
andere ijsvogelfanaten allemaal te weten komen over deze Kingfisher.
Jean-Pierre Geelen en Saskia van Loenen zijn journalist bij respectievelijk De Volkskrant en NRC én fervent vogelaar met een buitengewone voorliefde voor de ijsvogel. Eerder schreven zij Spotvogels (2018).
De eerste keer
Voor velen is de eerste ontmoeting met een ijsvogel niet meer dan een blauwe flits. Of een paar seconden blauw-oranje op een tak aan het water. Toch maakt de ijsvogel zoveel indruk dat iedereen zich zo’n eerste ontmoeting nog zal herinneren, stellen de auteurs. Dat klopt. Ook ik weet nog precies de eerste keer dat ik een ijsvogel zag langs scheren en hem later terugvond in een knotwilg van het bevroren polderlandschap nabij Leusden vele winters terug. De auteurs schrijven over hun vele zoektochten, bloopers en onverwachte waarnemingen die volgen. Juist de onvoorspelbaarheid maakt de ontmoeting misschien wel tot een extra intense beleving. Kortom het zien van een ijsvogel is altijd, zoals Jac. P. Thijsse het omschrijft, ‘een gebeurtenis van grote verheugnis’.
IJs
Nog niet zo lange geleden was het slecht gesteld met de ijsvogel in Nederland. Vooral strenge winters deden de populatie drastisch slinken. IJs is fataal. Toch is de veerkracht van de ijsvogel enorm gebleken. Dankzij 3-4 broedsels per jaar en mildere winters, groeide de populatie sterker dan voorheen. Het geschikt maken van steile oevers voor nestgelegenheid heeft ook geholpen. Nog steeds variëren de jaarlijkse aantallen broedparen maar in heel Nederland doet de ijsvogel het inmiddels goed. ‘De meest fluctuerende vogelsoort van Nederland’, aldus Albert de Jong van Sovon.
Schitterend blauw
In De ijsvogel lezen we dat de intense kleuren van oranje, blauwe en cyaan gevormd worden de weerkaatsing van het licht in de randen van veren. In de hand ziet een veer er eigenlijk grijs uit. Dus het zonlicht geeft de vogel een iriserende kleur blauw, terwijl de vogel in de schaduw donkergroen oogt en geheel kan opgaan in de
achtergrond.
Doelgerichte duik
Een duik van een ijsvogel gaat zo snel dat het bijna niet is waar te nemen door ons. Dat gebeurt met veel precisie en kracht. Zelfs met zoveel kracht dat een ijsvogel door sneeuw en een dun laagje ijs kan schieten en naar boven kan komen met een visje. Dat hij geen hersenschudding krijgt is een wonder. Natuurlijk zijn de snavel en kop
bijzonder goed gestroomlijnd. Ook zijn er speciale eiwitten in het zenuwstelsel gevonden die, net als bij spechten, een belangrijke rol spelen bij het beschermen van de hersenen bij zware impact. Dat de duik vaak succesvol is, dankt de ijsvogel ook aan zijn bijzondere ogen. Op het netvlies heeft hij een soort oliedruppeltjes die de weerspiegeling in het water wegfilteren. Ook kan de ijsvogel de ooglens razendsnel boller of platter maken, wat helpt om door de schittering van het water heen te kijken en zo kleine visjes goed te zien.
In vervoering
De ijsvogel is een olijk geschreven boek over ontmoetingen met deze mysterieuze en schitterende vogel. We leren wat de ijsvogels zo fascinerend maakt. Hoe ze nagenoeg kunnen verdwijnen na een strenge winter en de populatie toch verrassend snel kan herstellen in de jaren daarop. Hoe het blauw door de zon intens kan
oplichten en even plots kan verdwijnen in de schaduw als donkergroen. De auteurs hebben veel geleerd van de ijsvogel en vooral ‘dat geluk voor het oprapen ligt, en dat je het alleen maar hoeft te zien.’














